In deze paragraaf worden de voornaamste risico’s van zorgwekkende stoffen beschreven.
ZZS leiden tot grote gezondheidsrisico's, milieurisico’s en impact op economie. Veel ZZS kunnen kanker veroorzaken, zoals sommige pesticiden of industriële chemicaliën. Sommige ZZS kunnen schadelijk zijn voor de voortplanting, zoals een verminderde vruchtbaarheid of aangeboren afwijkingen bij nakomelingen. Ook zijn er ZZS die hormonale systeem verstoren, wat leidt tot gezondheidsproblemen zoals obesitas, diabetes of onvruchtbaarheid en ZZS die kunnen leiden tot allergieën, astma of andere luchtwegaandoeningen. Voor het milieu hebben ZZS grote impact doordat ze zeer langzaam afbreken in het milieu, waardoor ze langdurig aanwezig blijven. Daarnaast hopen sommige stoffen zich op in de voedselketen, waardoor concentraties in dieren en mensen toenemen naarmate ze hoger in de keten komen. Ook kunnen ZZS schadelijk zijn voor planten, dieren en waterorganismen, wat leidt tot verlies van biodiversiteit en verstoring van ecosystemen.
Vanwege de persistente en wijdverspreide aard van ZZS is het moeilijk om blootstelling en verspreiding te controleren. Het verwijderen van ZZS uit het milieu, zoals PFAS uit water, is technisch en financieel zeer uitdagend. Bedrijven en overheden maken hoge kosten om ZZS-uitstoot te beperken en verontreinigde gebieden schoon te maken. Strenge regelgeving kan economische activiteiten beïnvloeden, met name in sectoren zoals chemie, industrie en landbouw. Bij gebruik van ZZS bij locaties met milieuactiviteiten gelden algemene regels en vergunningvoorschriften. Het toezicht op ZZS in productieprocessen is onderdeel van het toezicht op locaties met milieuactiviteiten door de OD (zie hoofdstuk 3).
Maatschappelijk is in Drenthe veel aandacht voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen in de landbouw. Doordat de gemeenten en provincie voor het toepassen van de gewasbestrijdings-middelen geen bevoegd gezag zijn, is de rol van hen beperkt. Het College voor de Toelating van Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden (CTGB) geeft deze middelen vrij voor gebruik en de NVWA controleert op het gebruik ervan. Wel gaan gemeenten over de opslag van de bestrijdingsmiddelen. De gemeente kan daarnaast regels over het gebruik van gewasbeschermings-middelen opnemen in pachtovereenkomsten of het Omgevingsplan, waarna ze ook hierop kan toezien.
Bij het saneren van asbest zijn er een aantal specifieke risico’s. Als bij een asbestsanering niet wordt voldaan aan wet- en regelgeving, is de kans groot dat vezelemissie leidt tot grote risico’s voor mens en milieu. Een adequaat toezichtniveau is dus heel belangrijk in de saneringsfase. Daarnaast is het lucratief voor inwoners en bedrijven (kostenbesparing) om zich te onttrekken aan toezicht en illegale handelingen te verrichten. Financieel gewin speelt hierin een belangrijke rol. Door ook niet-gemelde saneringen op te sporen wordt deze vorm van illegaliteit aangepakt. Door blootstelling aan asbestvezels kunnen op termijn zeer ernstige gezondheidsklachten optreden bij werknemers, maar ook bij bezoekers en omwonenden. Om dit risico zo klein mogelijk te houden is de sanering van asbest aan strikte regels gebonden.
De intensiteit van het beoordelen van sloopmeldingen met asbest en het toezicht op de uitvoering van sloopwerken met asbest is niet bij wet vastgelegd. Het bevoegd gezag bepaalt zelf, op basis van risico’s, hoe diepgaand meldingen worden getoetst en/of toezicht hierop wordt gehouden.
In het bijzonder vormen illegale stortingen van asbest én vervallen gebouwen met asbestdaken een risico; door de constructieve staat van het gebouw is de kans op instorting of brand bij deze panden groot. Bij instorting en brand komt asbest vrij in de omgeving. Gevolgen voor de gezondheid van mensen en het milieu zijn groot, evenals de kosten voor het opruimen van de asbestdeeltjes.
In alle gevallen geldt dat de maatschappelijke onrust groot kan zijn; asbest is een beladen onderwerp. Voordat asbest gesloopt wordt, moet een asbestinventarisatie worden uitgevoerd en een melding worden gedaan. In de praktijk blijkt dat de kwaliteit van de asbestinventarisatierapporten, ondanks het systeem van certificering, soms te wensen over laat. Het is daarom goed om te toetsen of het asbest- inventarisatierapport volledig is en aansluit bij de uit te voeren werkzaamheden.
Uit de asbestinventarisatierapporten blijkt per asbesthoudende toepassing in welke risicoklasse de verwijdering valt. Er zijn drie risicoklassen:
- Risicoklasse 1: de blootstellingsnorm (grenswaarde) wordt niet overschreden bij het verwijderen. Het risico hiervoor is laag. In sommige gevallen mogen particulieren of niet-gecertificeerde bedrijven verwijderen;
- Risicoklasse 2: er is een reële kans dat de blootstellingsnorm wordt overschreden bij het verwijderen. Er is dan sprake van een onacceptabel risico. De gezondheid van de werknemers kan ernstige schade oplopen. Verwijderen mag alleen gebeuren door gecertificeerde bedrijven;
- Risicoklasse 2a: net als bij risicoklasse 2 mag verwijderen alleen gebeuren door gecertificeerde bedrijven. Het risico op ernstige schade voor de gezondheid is groter, omdat vrijwel zeker asbeststofconcentraties vrijkomen boven de grenswaarde.
Op dit moment is er nog geen inzicht in het gedrag van de overtreders bij asbestsaneringen (als onderdeel van de LHSO-score). Door een 0-meting over 2025 ontstaat inzicht in het percentage van de asbestcontroles met overtredingen, waarbij de overtreder calculerend (C) of bewust en structureel/crimineel (D) is. Juist bij deze saneringen is de impact op milieu en veiligheid het grootst. Bij deze asbestsaneringen verwachten we, mede door inzet van OD Drenthe, minimaal een gelijkblijvend gedrag.
Veel van de asbestmeldingen hebben betrekking op gebouwen in beheer van woningcorporaties. OD Drenthe heeft met vijf woningcorporaties een convenant gesloten (d.d. 21 januari 2019) om de beoordeling van sloopmeldingen te versnellen. De corporaties borgen dat hun opdrachtnemers (asbestinventariseerders, asbest-verwijderaars en laboratoria) kwaliteit leveren. Hiervoor hebben de corporaties o.a. asbest(risico)beleid opgesteld, processen beschreven, procedures en instructies vastgesteld en medewerkers opgeleid én hebben zij een systeem van interne controle georganiseerd. Door deze borging komen sloopmeldingen van deze corporaties (de zogenaamde mutatiemeldingen) in een verlaagd risicoprofiel, waardoor deze minder diepgaand en daardoor binnen 2 dagen worden afgehandeld in plaats van de reguliere 7 dagen.