Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2. › Paragraaf 2.3

Artikel 2.3.7

Draagkrachtperiode

Onderdeel van Richtlijnen bijzondere bijstand gemeente Laren

1.. De draagkrachtperiode gaat in op eerste dag van de maand waarin de oudste kosten zijn gemaakt. 2.. Indien de aanvraag betrekking heeft op nog te maken kosten, wordt het inkomen en vermogen vastgesteld per de eerste dag van de maand waarin de aanvraag is gedaan. 3.. De draagkracht wordt voor personen jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd telkens voor een periode van één jaar vastgesteld, beginnende op de eerste dag van de maand waarin de kosten gemaakt zijn. 4.. De draagkracht wordt voor personen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd en ouder telkens voor een periode van drie jaar vastgesteld, beginnende op de eerste dag van de maand waarin de kosten gemaakt zijn. 5.. Indien één persoon jonger is dan de pensioengerechtigde leeftijd en één ouder dient gekeken te worden naar het soort inkomen. Wanneer hierin nog wijzigingen worden verwacht, dient de draagkracht voor één jaar te worden vastgesteld. 6.. Bij elke volgende aanvraag binnen het draagkrachtjaar wordt rekening gehouden met de vastgestelde jaardraagkracht; de vastgestelde (resterende) draagkracht blijft dus gelden. 7.. In afwijking van het zesde lid kan in bijzondere situaties, waarin een jaardraagkracht onrechtvaardig werkt, de draagkracht voor een afwijkende periode worden vastgesteld. De aanvangsdatum van de draagkrachtperiode kan op een andere dag bepaald worden, indien de omstandigheden dat vragen. 8.. In afwijking van het zesde lid wordt de draagkracht in het vastgestelde draagkrachtjaar gewijzigd als het inkomen met meer dan 10% daalt of stijgt.

Rechtspraak bij dit artikel