Naar hoofdinhoud

Artikel 2:

Aanvragen van een voorziening

Onderdeel van Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Laren 2025

2.1 Informatie aan de inwoner Het college informeert de inwoner of zijn/haar vertegenwoordiger in begrijpelijke taal over de rechten en plichten die bij het ontvangen van een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget horen. Ook hoort de inwoner wat de mogelijke gevolgen zijn als hij/zij de Wmo misbruikt of zich niet aan de Wmo houdt. 2.2 Melding hulpvraag Een inwoner kan een melding bij het college doen via een brief (schriftelijk), via een gesprek (mondeling), telefonisch of digitaal. Het college bevestigt dat de melding is binnengekomen en maakt zo snel mogelijk een afspraak voor een gesprek. Na de melding volgt een onderzoek. Het college vertelt de inwoner en/of de vertegenwoordiger/mantelzorger van de inwoner over gratis cliëntondersteuning. Dit gebeurt voordat er een onderzoek is gedaan. Spoedeisende hulp: bij gevallen die niet lang kunnen wachten, zorgt het college zo snel mogelijk voor een passende voorziening. 2.3 Het onderzoek Het onderzoek begint met een gesprek met de inwoner. Zodra de melding is ontvangen, maakt het college zo snel mogelijk een afspraak voor dit gesprek. Bij voorkeur binnen 2 weken. Het gesprek helpt het college om zijn wettelijke taken uit te voeren. Het college bepaalt op basis van de hulpvraag van de inwoner hoelang het gesprek duurt. Het college moedigt inwoners aan om iemand mee te nemen naar het gesprek. De inwoner kan iemand uit zijn/haar netwerk, zoals een mantelzorger en/of een vertegenwoordiger en/of een cliëntondersteuner, vragen om bij het gesprek aanwezig te zijn. Op basis van het gesprek bepaalt het college of er meer onderzoek nodig is en hoe dit onderzoek eruit gaat zien. Tijdens het gesprek vertelt het college aan de inwoner en/of de vertegenwoordiger wat de volgende stappen zijn. Het college vraagt als dat nodig is ook toestemming om de persoonsgegevens van de inwoner te gebruiken. Het college kan persoonsgegevens van inwoners ook zonder toestemming gebruiken. Bijvoorbeeld om vast te stellen welke hulp het college aan de inwoner kan bieden. Als het nodig is voor het onderzoek, vraagt het college ook toestemming om informatie op te vragen of te delen. De volgende vragen kunnen onderdeel zijn van het onderzoek: Hoe wordt de inwoner het beste geholpen op basis van zijn/haar wensen, persoonskenmerken, ontwikkeling, gezinssituatie en eigen mogelijkheden? Kan een eventuele mantelzorger de zorg voor de inwoner goed aan of is er ondersteuning nodig? Wat wil de inwoner bereiken met de gevraagde ondersteuning? Is het voor de inwoner mogelijk om op eigen kracht en/of met hulp van anderen een oplossing te vinden? Welke (algemene) voorzieningen zijn geschikt? Past een mogelijke voorziening ook bij andere voorzieningen en/of behoeften van de inwoner op het gebied van jeugdhulp, zorg, onderwijs en/of werk en inkomen? Moet de inwoner zelf een bedrag betalen om gebruik te kunnen maken van de voorziening en – zo ja – hoe hoog is dit bedrag? Wat staat er in het persoonlijk plan? Kan de inwoner kiezen voor een persoonsgebonden budget? Zo ja, dan legt het college duidelijk aan de inwoner uit wat dit betekent. Welke andere zaken zijn belangrijk voor het onderzoek? Als inwoner moet je bijvoorbeeld kunnen bewijzen wie je bent met een identificatiedocument. Tijdens het gesprek moet de inwoner dit document laten zien. (In artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht staat wat een identificatiedocument is.) Het college kan (een combinatie van) de volgende acties uitvoeren om erachter te komen waarom het voor een inwoner moeilijk is om mee te doen in de maatschappij/achter de precieze problemen van de inwoner te komen op het gebied van zelfredzaamheid en participatie: een huisbezoek of een telefonisch onderzoek een aanvullend gesprek dossieronderzoek een onafhankelijke deskundige om advies vragen informatie ophalen bij behandelaars, zorgverleners, familie en/of overige partijen overige manieren om onderzoek te doen die passen binnen de wettelijke taken van het college. In de toelichting op deze verordening staat wat we met ‘overige manieren’ bedoelen. Het college kan de inwoner en/of de vertegenwoordiger vragen om op een bepaalde tijd naar een locatie te komen. Tijdens deze afspraak kan het college vragen stellen aan de inwoner en/of de vertegenwoordiger. Het college houdt hierbij rekening met de mogelijkheden en/of beperkingen van de inwoner. De inwoner of de vertegenwoordiger is verplicht om gegevens aan het college te leveren die nodig zijn voor het onderzoek en de beoordeling van de melding/aanvraag. Bij het uitvoeren van het onderzoek kijkt het college breder. Het college onderzoekt dan ook of er hulp nodig is op andere gebieden, zoals jeugdhulp, onderwijs, zorg, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen en politie en justitie. Dit noemen we een integrale aanpak. Als er sprake is van een onveilige situatie voor de inwoner en/of gezinsleden, en/of als er een uitspraak is van de rechtbank, kan het college het onderzoek overslaan. Artikel 2.3 geldt dan niet. 2.4Het delen van de resultaten van het onderzoek Via een plan van aanpak laat het college de inwoner of de vertegenwoordiger zien wat de uitkomsten van het onderzoek zijn. Als de inwoner of vertegenwoordiger nog opmerkingen heeft - bijvoorbeeld omdat er fouten in het plan staan - kan hij/zij die met het college delen. Het plan van aanpak wordt dan aangepast. 2.5 De aanvraag De inwoner moet de aanvraag (zoals bedoeld in artikel 2.2 van deze verordening) op papier doen. Daarvoor bestaat een aanvraagformulier dat de inwoner ontvangt. Het college beoordeelt de aanvraag op basis van het onderzoek dat in artikel 2.3 wordt beschreven. Het besluit op de aanvraag is - als dat nodig is - afgestemd op de gebieden jeugdhulp, onderwijs, zorg, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen en politie en justitie. 2.6 De inhoud van de beschikking Als het college een voorziening toekent, leggen we in ieder geval het volgende vast in een besluit (beschikking): De resultaten die de inwoner wil bereiken op basis van de Wmo. De conclusies uit het onderzoek. De voorziening(en) die volgens het college nodig zijn om de resultaten te bereiken. De hoogte van een eventueel budget. De periode waarin de inwoner gebruik mag maken van de voorziening(en). In welke vorm de inwoner de voorziening(en) krijgt. Of en – zo ja – hoe er een tussentijdse evaluatie plaatsvindt. De voorwaarden die gelden bij het gebruik van de voorziening(en). De kwaliteitseisen die er zijn voor het uitgeven/krijgen van een persoonsgebonden budget. Hoe de inwoner bezwaar kan maken als hij/zij het niet eens is met de beschikking. Of de inwoner een eigen bijdrage moet betalen. 2.7 Wijziging situatie Volgens artikel 2.3.8 van de Wmo 2015 moet de inwoner of zijn/haar vertegenwoordiger belangrijke informatie over zijn/haar persoonlijke situatie actief aan het college doorgeven. Het gaat daarbij om informatie waarvan het logisch is dat die belangrijk is om te bepalen of een inwoner recht heeft op de voorziening. 2.8 Opnieuw onderzoeken (heronderzoek) Volgens artikel 2.3.9 van de Wmo 2015 kan het college opnieuw onderzoek doen om te bepalen of de voorziening die de inwoner heeft gekregen, nog past bij de situatie. Het kan gebeuren dat het besluit toch aangepast moet worden. Dit noemen we een heronderzoek. 2.9 Stoppen/opnieuw beoordelen van de voorziening Volgens 2.3.10 van de Wmo 2015 kan het college een besluit dat het eerder over een voorziening heeft genomen, helemaal of voor een deel intrekken. Dit betekent dat het college de voorziening kan stoppen. Dit gebeurt als: De situatie van de inwoner niet (meer) past binnen de voorwaarden van de Wmo 2015. Blijkt dat de inwoner verkeerde gegevens heeft doorgegeven en het college een ander besluit zou hebben genomen als de gegevens juist waren geweest. Als na zes maanden blijkt dat een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget niet (genoeg) wordt gebruikt om de afgesproken voorziening te betalen, kan het college het besluit intrekken of herzien. Dit kan 2 dingen betekenen: het college stopt de voorziening/het persoonsgebonden budget óf het college beoordeelt opnieuw of de inwoner recht heeft op de voorziening/het persoonsgebonden budget. 2.10 Terugvordering Volgens artikel 2.4.1 van de Wmo 2015 kan het college (een deel van) de waarde van de voorziening in geld, de voorziening zelf of het gekregen geldbedrag terugvragen als de inwoner geen recht op de voorziening/het persoonsgebonden budget blijkt te hebben.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel