Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2.

Artikel 2.3

Onderzoek

Onderdeel van Verordening Wmo Son en Breugel 2026

Het college voert uiterlijk binnen 6 weken het onderzoek uit zoals bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de wet. Als deze termijn niet haalbaar is, wordt de cliënt hierover geïnformeerd. Ten behoeve van het gesprek verschaft de cliënt de volgende gegevens: alle gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover de cliënt redelijkerwijs de beschikking kan krijgen, rekening houdend met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG); een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage. Als de cliënt al bekend is bij het college (de in het eerste en tweede lid genoemde gegevens zijn bekend en er is geen wijziging in diens leefsituatie), kan het college in overeenstemming met de cliënt afzien van een onderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid. Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om zelf een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet op te stellen en stelt hem gedurende 7 dagen na de melding in de gelegenheid het plan in te dienen (digitaal of fysiek). Wanneer cliënt dit persoonlijk plan heeft ingediend, wordt dit betrokken bij het onderzoek. Het college onderzoekt in een gesprek met de cliënt, dan wel diens vertegenwoordiger en waar mogelijk met mantelzorger(s) en desgewenst familie, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig: de ondersteuningsbehoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt; het beoogde resultaat van het verzoek om ondersteuning; of het verzoek om ondersteuning leidt tot versterking of behoud van zelfredzaamheid, participatie, opvang of beschermd wonen; de mogelijkheden voor de cliënt om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met algemene (gebruikelijke) voorzieningen, andere voorzieningen of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten de zelfredzaamheid of de participatie te handhaven of te verbeteren, zodat de cliënt zo min mogelijk een beroep hoeft te doen op een maatwerkvoorziening; de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit het sociaal netwerk te komen tot verbetering van de zelfredzaamheid of participatie, zodat de cliënt zo min mogelijk een beroep hoeft te doen op een maatwerkvoorziening; de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; de mogelijkheden om samen met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en andere partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te voorzien in de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning; de wijze waarop de zelfredzaamheid en participatie, al dan niet door middel van het verstrekken van een maatwerkvoorziening, kan worden versterkt; welke bijdragen in de kosten de cliënt, op basis van artikel 2.1.4 van de wet, verschuldigd zal zijn; de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van deze keuze. Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen indien het dit van belang acht voor de beoordeling van de melding. Het college betrekt de cliënt en zijn eventuele vertegenwoordiger of mantelzorger bij de adviesaanvraag en informeert hen over de uitkomsten daarvan.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel