1. Het dagelijks bestuur legt voor 30 april aan het algemeen bestuur verantwoording af over het afgelopen kalenderjaar, onder overlegging van de opgestelde jaarstukken, waaronder de voorlopige jaarrekening en het voorlopige jaarverslag met de daarbij behorende bescheiden en een berekening van de door de deelnemende gemeenten en de RDWI te betalen bijdragen, benevens het rapport van de overeenkomstig artikel 213 van de wet met de controles belaste accountant. Het rapport bevat een verslag van een onderzoek naar het getrouwe beeld van de baten en lasten.
2. De jaarstukken worden gelijktijdig aan de raden en de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten en het aan het algemeen en het dagelijks bestuur van de RDWI toegezonden, die binnen acht weken na ontvangst daarvan schriftelijk hun zienswijze kenbaar kunnen maken bij het dagelijks bestuur. De terugkoppeling wordt aan het algemeen bestuur aangeboden. Het dagelijks bestuur informeert de raden van de gemeenten en het algemeen bestuur van de RDWI overeenkomstig artikel 10 lid 6 van de Wgr voordat het algemeen bestuur besluit omtrent de vaststelling van de jaarstukken.
3. Het algemeen bestuur onderzoekt de jaarstukken en stelt deze vast in het jaar, volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft, alsmede de bijdragen die de deelnemers betalen in het eventuele exploitatietekort.
4. Het dagelijks bestuur zendt de jaarstukken binnen twee weken, na de vaststelling, doch voor 15 juli, met alle bijbehorende stukken aan gedeputeerde staten.
5. Het besluit tot vaststelling van de jaarstukken strekt - voor zover het de daarin opgenomen ontvangsten en uitgaven betreft - het dagelijks bestuur tot decharge, behoudens later in rechte gebleken valsheid in bewijsstukken en/of andere onregelmatigheden.