**1..** Kabels en leidingen hebben vanaf bovenkant leiding tot bovenkant maaiveld de volgende afstand bij:
a.
elektra:
LS 0,60 m – MS 0,90 m;
b.
water:
1,00 m;
c.
gas:
0,90 m;
d.
telecommunicatie:
0,60 m;
e.
warmte:
1,00 m;
f.
riool:
1,20 m of afhankelijk van het verval van de leiding bij vrijvervalleiding.
**2..** Als kabels en leidingen elkaar kruisen:
distributiekabels of -leidingen liggen ondieper dan transportleidingen;
vrijvervalleidingen hebben voorrang op drukleidingen;
bij kruisingen van kabels of leidingen bedraagt de onderlinge tussenruimte (verticale afstand) tenminste 0,20 m.
**3..** Er moet een strook tussen 0,70 m -mv en 0,90 m -mv vrijgehouden worden in verband met kruisende vrijverval rioolaansluitingen.
Hoofdstuk 7. › Paragraaf 7.2.
Artikel 7.2.3
Uitgangspunten verticale ligging
Onderdeel van Handboek kabels en leidingen Ooststellingwerf