**1..** Het uitgangspunt is dat de vordering voor zover mogelijk wordt verrekend met de uitkering volgens de bepalingen van artikel 60, derde en vierde lid, Pw dan wel artikel 28, derde en vierde lid, IOAW/IOAZ.
**2..** Wanneer er geen lopende uitkering is of verrekening met een lopende uitkering is niet mogelijk, dan wordt belanghebbende aangeschreven om, voor zover mogelijk de vordering binnen zes weken in één keer terug te betalen.
**3..** Wanneer terugbetaling van de vordering binnen zes weken niet mogelijk is, kan met belanghebbende een betalingsregeling worden afgesproken.
**4..** Het verzoek om een betalingsregeling wordt afgewezen voor zover de belanghebbende beschikt over middelen die, gelet op de omstandigheden van belanghebbende, redelijkerwijs te gelde kunnen worden gemaakt. De vermogensvrijlating als bedoeld in artikel 34, derde lid, Pw is niet van toepassing.
**5..** Wanneer belanghebbende niet meewerkt aan het opstellen dan wel uitvoeren van een betalingsregeling, dan legt het college executoriaal beslag, waaronder loonbeslag. Hierbij wordt de beslagvrije voet gehanteerd.
**6..** Bij het bepalen van het inkomen is artikel 31, tweede lid, Pw van toepassing. In aanvulling op artikel 31, tweede lid, Pw wordt ook een verstrekte individuele inkomenstoeslag op grond van artikel 36 Pw niet tot de middelen van belanghebbende gerekend.
**7..** Het college kan van (verdere) invordering afzien als het in te vorderen bedrag minder dan € 100,00 bedraagt, terwijl verrekening met de uitkering of het gereserveerde vakantiegeld niet (meer) mogelijk is.
Hoofdstuk 2: › Paragraaf 2.2
Artikel 10:
Mogelijkheden van invordering
Onderdeel van Beleidsregels terugvordering, invordering en verhaal 2026 gemeente Tilburg