Naar hoofdinhoud
1.. Immateriële en materiële vaste activa worden afgeschreven volgens de methodiek en de termijnen zoals vermeld in de Bijlage afschrijvingsbeleid bij deze verordening. 2.. De volgende uitgangspunten worden gehanteerd bij investeringen: vervangingsinvesteringen worden in het (meerjaren) investeringsplan opgenomen in de begroting; investeringswensen die worden aangemerkt als nieuw beleid, alsmede vervangingsinvesteringen die worden beschouwd als voortzetting van bestaand beleid, worden ter besluitvorming aan de raad voorgelegd via de kadernota dan wel middels een afzonderlijk raadsvoorstel. de staat van restantkredieten wordt opgenomen in de jaarrekening; als een investering niet in het jaar van planning is gestart, dan wordt bij de jaarrekening een voorstel gedaan voor het overbrengen van het krediet naar het volgende boekjaar; investeringen kunnen maximaal 3 jaar na het geplande startmoment volgens het initiële voorstel uitlopen, behoudends zwaarwegende omstandigheden; de rentelast wordt gebaseerd op de omslagrente die in de laatst vastgestelde begroting is opgenomen. De afschrijving van een kapitaalgoed vangt aan met ingang van het boekjaar volgend op het jaar waarin het kapitaalgoed gereed is gekomen dan wel is verworven. De rente over investeringen wordt berekend over de boekwaarde per 1 januari van het betreffende boekjaar. De in lid h bedoelde berekeningswijze is van toepassing op zowel gerealiseerde als nog niet gerealiseerde of in gebruik genomen investeringen. 3.. Burgemeester en wethouders bieden de raad jaarlijks een meerjareninvesteringsplan aan als bijlage bij de begroting, waarbij inzicht wordt verschaft in de geplande investeringen en de daarmee gepaard gaande kapitaallasten voor de komende meerjarenperiode. [Artikel 13 treedt met terugwerkende kracht in werking met ingang van 1 januari 2026.]

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel