**1..** Het college stemt de individuele voorziening die vanuit de Jeugdwet wordt ingezet, ten minste af op het aanbod van activiteiten, diensten of middelen op grond van:
de Leerplichtwet;
de Participatiewet;
de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening;
de Wet Inburgering 2021;
de Wet kinderopvang;
de Wet langdurige zorg;
de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
de Wet passend onderwijs;
de Wet publieke gezondheid;
de Wet tijdelijk huisverbod;
de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg; en
de Zorgverzekeringswet,
zodat deze zoveel mogelijk op elkaar aansluiten.
**2..** De afgestemde jeugdhulp wordt zodanig ingezet dat dit leidt tot:
het opheffen van een situatie die voor een jeugdige of een ouder of diens omgeving levensbedreigend is, of met grote waarschijnlijkheid leidt tot ernstige gezondheidsschade;
stabilisatie van een crisissituatie, anders dan bedoeld onder a;
een voldoende mate van duurzame zelfredzaamheid van een jeugdige of een ouder, voor zover dat binnen het vermogen ligt.
**3..** Het college weegt bij de afstemming van de jeugdhulp de volgende aspecten mee:
de behoefte aan hulp en ondersteuning van een jeugdige of een ouder, zoals benoemd in artikel 11;
de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van een jeugdige of een ouder zoals bedoeld in artikel 13 en de mogelijkheden van het sociale netwerk;
welke volgorde van inzet van hulp en ondersteuning naar verwachting het meeste effect sorteert en in hoeverre hulp en ondersteuning gelijktijdig kan of moet worden ingezet;
welke hulp en ondersteuning leidt tot de minste maatschappelijke kosten op lange termijn.
**4..** Als een jeugdige of een ouder of wettelijk vertegenwoordiger weigert mee te werken aan ondersteuning als bedoeld in het eerste lid, kan het college het onderzoek beëindigen en een individuele voorziening weigeren.
**5..** Als een jeugdige van 16 jaar of ouder die hulp op grond van de jeugdwet ontvangt naar alle waarschijnlijkheid na het achttiende levensjaar hulp of ondersteuning nodig heeft vanuit een wettelijke kader als bedoeld in het eerste lid, is het college gehouden om:
voor het achttiende levensjaar zodanige hulp en ondersteuning te bieden dat de benodigde hulp en ondersteuning vanaf het achttiende jaar zo beperkt mogelijk kan zijn; en
de continuïteit van hulp en ondersteuning te waarborgen voor zover dat nodig is.
**6..** Ter uitvoering van het vijfde lid, onderzoekt het college tijdig welke andere voorziening nodig is, vanaf de achttiende verjaardag en op welke wijze en vanuit welke andere voorzieningen (Wet maatschappelijke ondersteuning, Wet langdurige zorg, of de Zorgverzekeringswet) deze ondersteuning vanaf het achttiende levensjaar wordt ingezet.
HOOFDSTUK 2
Artikel 5.
Afstemming van ondersteuning vanuit de Jeugdwet
Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda 2026