** 1. .** Tijdens het gesprek voor een maatwerkvoorziening, bedoeld in artikel 18 van de Verordening wordt door het college beoordeeld of de hulpvraag opgelost kan worden zonder gebruik te maken van een maatwerkvoorziening, rekening houdend met eigen kracht, gebruikelijke hulp, algemene voorzieningen en het sociaal netwerk. Hierbij worden in ieder geval de volgende punten onderzocht:
de behoefte en mogelijkheden van de inwoner zelf;
de intensiteit en de duur van de ondersteuningsvraag;
de mogelijkheden van het sociaal netwerk om ondersteuning te bieden; en
of door de huisgenoten gebruikelijke hulp geboden kan worden;
welke algemene voorzieningen de hulpvraag kunnen oplossen.
** 2. .** Het onder lid 1, sub d, genoemde houdt in dat wanneer er een aanvraag wordt gedaan voor een voorziening, er onderzocht wordt of de huisgenoot gebruikelijke hulp geheel of gedeeltelijk kan bieden. In de volgende gevallen wordt ervan uitgegaan dat de huisgenoot de gebruikelijke hulp niet (volledig) kan bieden:
als de huisgenoot niet de vaardigheden bezit om de gebruikelijke hulp te bieden en die vaardigheden ook niet kan leren;
als de huisgenoot niet voldoende beschikbaar is om gebruikelijke hulp te bieden;
als het bieden van gebruikelijke hulp overbelasting voor de huisgenoot oplevert;
als de levensverwachting van de inwoner die ondersteuning vraagt, korter is dan drie maanden.
** 3. .** Bij de beoordeling wat er redelijkerwijs van de inwoner en de omgeving kan worden verwacht, kan gebruik worden gemaakt van het afwegingskader ‘Gebruikelijke hulp Wmo’, bedoeld in bijlage 1 behorende bij deze regeling. Bij deze afweging is leidend wat er in meer of mindere mate van de inwoner verwacht kan worden, in relatie tot de vastgestelde eigen kracht.
Hoofdstuk 2
Artikel 3
Eigen kracht en gebruikelijke hulp maatschappelijke ondersteuning
Onderdeel van Regeling maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda 2026