Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › Paragraaf 1

Artikel 2.1.1

Het onderzoek naar bodemverontreiniging

Onderdeel van Bouwverordening Terschelling 2010

1. Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8, vierde lid van de Woningwet respectievelijk het rapport als bedoeld in artikel 2.4, onder d van de Regeling omgevingsrecht bestaat uit: a. De resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740, meest recente uitgave, in overeenstemming met het onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1; b. Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest daaronder mede begrepen asbestvezels, - deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707, meest recente uitgave. 2. De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht geldt niet voor een bouwwerk: a dat is gelegen buiten het in oranje ingekleurde gebied, of b met een oppervlakte van minder dan 25 m2, dat is gelegen binnen het in oranje ingekleurde gebied zoals weergegeven in de ‘kaart voor het bepalen van een verkennend bodemonderzoek’, opgenomen als bijlage 1 bij deze verordening, indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II. 3. Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een bodemonderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4, onder d van de Regeling omgevingsrecht toe, indien voor toepassing van artikel 2.4.1 bij het bevoegd gezag reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn. 4. Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.5 onder d van de Regeling omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk dat is gelegen buiten het in oranje ingekleurde gebied zoals weergegeven in de ‘kaart voor het bepalen van een verkennend bodemonderzoek’, opgenomen als bijlage 1 bij deze verordening, indien uit het in NEN 5725, meest recente uitgave, bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740, meest recente uitgave, niet rechtvaardigen. 5. Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.5 onder d van de Regeling omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingtermijn als bedoeld in artikel 2.23 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht, indien uit het in NEN 5725, meest recente uitgave, bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740, meest recente uitgave, niet rechtvaardigen. 6. Indien het bouwen pas plaats kan vinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek als bedoeld in het eerste lid plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel