**1.** Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in
artikel 8, vierde
lid van de Woningwet respectievelijk het rapport als bedoeld in
artikel 2.4, onder d van de Regeling omgevingsrecht bestaat
uit:
a. De resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek
verricht
volgens NEN 5740, meest recente uitgave, in overeenstemming met
het onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1;
b. Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te
veronderstellen dat asbest daaronder mede begrepen asbestvezels,
- deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is, vindt het
onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707,
meest recente uitgave.
**2.** De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld
in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht geldt
niet voor een bouwwerk:
a dat is gelegen buiten het in oranje ingekleurde gebied, of
b met een oppervlakte van minder dan 25 m2, dat is gelegen
binnen het in
oranje ingekleurde gebied zoals weergegeven in de ‘kaart voor
het bepalen van een verkennend bodemonderzoek’, opgenomen als
bijlage 1 bij deze verordening, indien het bouwen betrekking
heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een
bouwwerk als genoemd in het Besluit omgevingsrecht, artikelen 2
en 3 van bijlage II. Deze verwijzing geldt niet voor de
hoogtebepalingen in het Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3
van bijlage II.
**3.** Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van
de plicht tot het indienen van een bodemonderzoeksrapport als
bedoeld in artikel 2.4, onder d van de Regeling omgevingsrecht
toe, indien voor toepassing van artikel 2.4.1 bij het bevoegd
gezag reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar
zijn.
**4.** Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht
tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in
artikel 2.5 onder d van de Regeling omgevingsrecht toestaan voor
een bouwwerk dat is gelegen buiten het in oranje ingekleurde
gebied zoals weergegeven in de ‘kaart voor het bepalen van een
verkennend bodemonderzoek’, opgenomen als bijlage 1 bij deze
verordening, indien uit het in NEN 5725, meest recente uitgave,
bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de
bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de
gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN
5740, meest recente uitgave, niet rechtvaardigen.
**5.** Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht
tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in
artikel 2.5 onder d van de Regeling omgevingsrecht toestaan voor
een bouwwerk met een beperkte instandhoudingtermijn als bedoeld
in artikel 2.23 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en
artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht, indien uit het in
NEN 5725, meest recente uitgave, bedoelde vooronderzoek naar het
historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de
locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een
volledig veldonderzoek volgens NEN 5740, meest recente uitgave,
niet rechtvaardigen.
**6.** Indien het bouwen pas plaats kan vinden nadat de aanwezige
bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek als bedoeld
in het eerste lid plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat
met de bouw wordt begonnen.