Vanaf 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden, waarbij sprake is van een overgangsregeling van de Wet Ruimtelijke Ordening naar de Omgevingswet. De omgevingswet regelt alles voor de ruimte waarin we wonen en werken. De wet bundelt de wetgeving voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Met deze nieuwe wet beoogt de rijksoverheid het beheer en de ontwikkeling van de leefomgeving met minder en overzichtelijke regels en meer ruimte voor initiatieven en lokaal maatwerk te regelen.
De Omgevingswet heeft 6 kerninstrumenten voor het gebruiken en beschermen van de leefomgeving. Met deze instrumenten kan de overheid beleid schrijven en uitvoeren. Daarnaast kunnen overheden met deze instrumenten regels stellen aan activiteiten en de uitvoering van projecten. De 6 kerninstrumenten zijn:
Omgevingsvisie
Programma
Decentrale regels
Algemene rijksregels
Omgevingsvergunning
Projectbesluit
Deze kerninstrumenten worden in bijlage 1 nader toegelicht.
Het omgevingsplan, een decentrale regel, is een nieuw instrument, dat het bestemmingsplan vervangt. In een omgevingsplan kunnen gemeenten meer regels laten samenkomen dan nu in het bestemmingsplan mogelijk is. Tegelijk zal het omgevingsplan meer ruimte bieden aan initiatieven en zal dus vooral randvoorwaarden bevatten.
Bij de Omgevingswet staat de gebruiker centraal en een belangrijk punt voor het grondbeleid wordt gevormd door het ‘ja, mits’-principe. Dat betekent dat er meer ruimte is wat tot gevolg heeft dat de gemeente keuzes voor kwaliteiten van een gebied nog beter moet onderbouwen en verschillende belangen en partijen vroegtijdig bij het proces moet betrekken.
Aanvullingswet Grondeigendom
Met de Omgevingswet worden vier aanvullingswetten opgesteld als onderdeel van het stelsel omgevingsrecht. Het gaat om de onderwerpen bodem, natuur, geluid en grondeigendom. De aanvullingswet grondeigendom is een samenvoeging van de publiekrechtelijke grondbeleidsinstrumenten Wet voorkeursrecht gemeenten, de Onteigeningswet, de Wet inrichting landelijk gebied, stedelijke kavelruil en de grondexploitatiewet.
In bijlage 2 gaan we in op de belangrijkste punten bij het voorkeursrecht, onteigening, kostenverhaal, (afdwingbare) financiële bijdrage, kavelruil, inrichtingsprogramma, en gedoogplicht.