Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4

Artikel 10.

Beoordeling verzoek overheidsparticipatie

Onderdeel van Algemene participatieverordening gemeente Smallingerland

1.. Het college zendt een ingediend verzoek door aan het bestuursorgaan dat bevoegd is om op het verzoek te reageren en informeert de indiener hierover. 2.. Als de gemeenteraad op het verzoek moet reageren, bereidt het college de reactie op het verzoek voor. 3.. Onverminderd artikel 3, derde lid, wijst het bestuursorgaan een verzoek af als: het verzoek ziet op een taak waarvan de aard zich tegen toepassing van overheidsparticipatie verzet; het verzoek in strijd is met door de gemeente vastgesteld beleid; het verzoek niet voldoet aan de in artikel 11 gestelde eisen; het initiatief naar het oordeel van burgemeester en wethouders op financiële, juridische of praktische gronden niet haalbaar is; of 4.. In aanvulling op lid 3 kan het bestuursorgaan een verzoek op grond van het uitdaagrecht afwijzen als: het bestuursorgaan van oordeel is dat de taak met de overheidsparticipatie niet beter wordt uitgevoerd of de kosten hoger zijn; de opdrachtwaarde boven de Europese drempelwaarde als bedoeld in paragraaf 2.1.1.1 van de Aanbestedingswet 2012 uitkomt; of 5.. Als het bestuursorgaan voornemens is het verzoek af te wijzen wordt indiener vooraf in de gelegenheid gesteld om een zienswijze te geven op het voornemen; 6.. Het bestuursorgaan reageert binnen een redelijke termijn, maar uiterlijk binnen 12 weken op het verzoek. Het bestuursorgaan kan deze termijn met vier weken verdagen. 7.. Het bestuursorgaan onderbouwt de reactie op het verzoek en maakt de reactie en de onderbouwing openbaar en bekend aan verzoeker.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel