Een integriteitsmelding wordt getoetst op:
de aard van het feit
de ontvankelijkheid van de melding
de ernst van de zaak
de valideerbaarheid van feiten en omstandigheden
de positie of persoon van de bron en de persoon van het lid van de Gemeenteraad, raadscommissie of college in kwestie
de geloofwaardigheid / waarschijnlijkheid van signalen
de actualiteit van de meldingen
De beoordeling kan leiden tot de volgende (voorlopige) conclusies:
Er zijn onvoldoende aanwijzingen voor onderzoek.
De schending betreft een te gering feit om onderzoek te rechtvaardigen.
Er is aanvullende informatie nodig. In dit geval geeft de burgemeester opdracht tot een vooronderzoek dat intern of extern kan worden uitgevoerd.
Er dreigt een schending die de burgemeester (vertrouwelijk) zal bespreken met het betrokken raadslid, burgerlid of collegelid.
Er is een feitenonderzoek nodig omdat er een vermoeden is van een integriteitsschending of het plegen van een strafbaar feit.
De melder wordt door of namens de burgemeester (vertrouwelijk) geïnformeerd over het resultaat van de beoordeling. Als de politieke ambtsdrager is betrokken bij de eerste screening wordt ook hij op de hoogte gesteld. De burgemeester kan ook een gezamenlijk gesprek beleggen tussen melder en politieke ambtsdrager. Indien de burgemeester dat nodig acht, informeert hij tevens het presidium.
Bij het vermoeden van een opzettelijk valse beschuldiging, onderneemt de burgemeester actie tegen de melder in de vorm van een feitenonderzoek. De persoon tegen wie opzettelijk valse beschuldigingen zijn gedaan, kan daarvan aangifte doen bij de politie.
7
Artikel 20