Een lid van de raad voert het woord na het aan de voorzitter gevraagd en van hem verkregen te hebben.
Een raadslid dat het woord vraagt:
a. voor het geven van een beknopte mondelinge toelichting op een initiatiefvoorstel;
b. voor een persoonlijk feit, doch niet nadat het betreffende raadslid dit beknopt heeft toegelicht;
c. voor het indienen van een voorstel van orde;
krijgt het eerst het woord.
Hoofdstuk 4
Artikel 28.