Deze verordening verstaat onder:
pleziervaartuig: elk vaartuig, dat hoofdzakelijk wordt gebruikt voor de recreatie, niet zijnde een passagiersschip;
passagiersschip: elk schip, dat door de eigenaar bestemd is om meer dan twaalf passagiers te vervoeren, dan wel een schip, dat meer dan twaalf passagiers vervoert en/of hoofdzakelijk gebezigd wordt voor het bedrijfsmatig vervoer en/of verblijf van personen;
ligplaats: een gedeelte van het openbaar water dat door een pleziervaartuig met bijbehorende voorzieningen mag worden ingenomen;
bijbehorende voorzieningen: voorzieningen behorende bij de ligplaats, waaronder wordt bedoeld de steiger en loopplank;
openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn.
Vaarseizoen: de periode van 1 mei tot 1 november.