Naar hoofdinhoud

Artikel 10

Intrekking of wijziging ligplaatsvergunning

Onderdeel van Verordening ligplaatsen

Burgemeester en wethouders kunnen de ligplaatsvergunning intrekken of wijzigen als: de ligplaatsvergunning ten gevolge van onjuiste opgave of informatie is verleend of verlengd; de gegevens in de ligplaatsvergunning niet meer overeenstemmen met de werkelijke situatie; de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; op of aan de ligplaats voorzieningen zijn aangebracht die niet zijn vermeld in de ligplaatsvergunning; op grond van een verandering van omstandigheden of inzichten, opgetreden na het verlenen van de ligplaatsvergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de ligplaatsvergunning is vereist; zich een van de weigeringsgronden van artikel 5 van deze verordening voordoet; gedurende zes weken ten tijde van het vaarseizoen geen pleziervaartuig bij de ligplaats heeft gelegen en, na een aanmaning hiertoe van burgemeester en wethouders, gedurende een tweede termijn van zes weken door de vergunninghouder geen pleziervaartuig bij de ligplaats wordt aangelegd; de ligplaats geheel of gedeeltelijk in gebruik is bij/door een ander dan diegene aan wie de ligplaatsvergunning is verleend. de vergunninghouder zijn betalingsverplichtingen tot het innemen van een ligplaats niet of niet tijdig nakomt; de vergunninghouder hierom verzoekt;

Rechtspraak bij dit artikel