De uitkeringsgerechtigde die arbeid in deeltijd heeft of aanvaardt,
waarmee een inkomen wordt verworven dat minder bedraagt dat de voor de
uitkeringsgerechtigde van toepassing zijnde bijstandsnorm, heeft
eenmalig gedurende een periode van maximaal 6 aaneengesloten maanden
recht op vrijlating van inkomsten uit arbeid als bedoeld in artikel 31,
tweede lid onder o van de wet waarbij het vrijlatingspercentage wordt
bepaald op 25% met een maximum van het in artikel 31, tweede lid onder o
van de wet genoemde bedrag.