Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 7

Artikel 7.4

Vaststelling hoogte aflossing

Onderdeel van Beleidsregels Inkomen Participatiewet gemeente Midden-Delfland 2026

1. . Aflossing van de geldlening vindt plaats gedurende ten hoogste 10 jaar; 2. . De aflossing vangt aan op het moment van beëindiging van de bijstandsverlening en vindt maandelijks plaats; 3. . Het maandbedrag van de aflossing wordt telkens voor een periode van 1 jaar vastgesteld. In beginsel is dit maandbedrag 1/120ste van de totale lening; 4. . Bij een inkomen als bedoeld in artikel 32 van de Participatiewet dat niet uitgaat boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm, bedoeld in hoofdstuk 3 paragraaf 3.2 en 3.3 van de Participatiewet, wordt geen aflossing gevergd; 5. . Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven stelt het college zo nodig tussentijds, het maandbedrag van de aflossing op een lager dan wel hoger bedrag vast; 6. . Bij de beoordeling van de omstandigheden, als bedoeld in het vijfde lid van dit artikel, wordt rekening gehouden met noodzakelijke, voor eigen rekening van belanghebbende komende, bijzondere bestaanskosten. Deze worden in mindering gebracht op het inkomen; 7. . Indien belanghebbende tijdens de aflossingsperiode van 10 jaar schuldig nalatig is in het voldoen van de vastgestelde aflossing, is het nog niet afgeloste deel van de geldlening terstond opeisbaar en is daarover tevens de wettelijke rente verschuldigd.

Rechtspraak bij dit artikel