Naar hoofdinhoud

Artikel 18.

Voorziening voor oninbare vorderingen

Onderdeel van Financiële verordening gemeente Castricum 2025

1.. Voor de bepaling van de voorziening wordt onderscheid gemaakt tussen reguliere debiteuren en belastingdebiteuren. Onder reguliere vorderingen vallen alle private en publieke vorderingen, namens het college opgelegd door het bestuur van de Werkorganisatie BUCH, niet zijnde vorderingen sociale zaken uitgevoerd door Zaffier (De Wet sociale werkvoorziening, de Participatiewet en het daarop gebaseerde Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs), en de Wet inburgering 2021), belastingen en leges uitgevoerd door Cocensus. De hoogte van de voorziening wordt jaarlijks bepaald. 2.. Privaatrechtelijke vorderingen komen voort uit overeenkomsten naar burgerlijk recht, tot dienstverlening of leveringen van producten door de gemeente aan derden, waarvoor de gemeente een vergoeding factureert. Voor private vorderingen worden alle openstaande posten individueel beoordeeld. Hierbij wordt beoordeeld of de vordering redelijkerwijs nog inbaar is en zo niet voor welk percentage de vordering als dubieus gekenmerkt moet worden. Wanneer een niet te innen bedrag een bedrag van € 10.000 te boven gaat dient de afboeking te worden voorgelegd aan het college. 3.. Publiekrechtelijke vorderingen zijn gebaseerd op met name wetgeving en verordeningen. Het zijn vorderingen voortkomend uit de uitoefening van de publiekrechtelijke taak. De publiekrechtelijke vorderingen betreffen: vorderingen door opgelegde belastingen conform de belastingverordeningen. De oninbaarheid van vorderingen vanaf 2020 wordt maandelijks vastgesteld door Cocensus o.b.v. onderstaande staffel: Ouderdom Percentage <= 1 jaar 0% >1 jaar -<= 2 jaar 10% >2 jaar -<=3 jaar 30% >3 jaar-<= 4 jaar 50% >4 jaar-<= 5 jaar 75% >5 jaar 100% vorderingen sociale zaken; De oninbaarheid van vorderingen wordt aan het einde van het jaar (groepsgewijs) beoordeeld Op basis van deze oninbaarheid wordt het voorzieningspercentage bepaald en wordt de benodigde voorziening vastgesteld. De door Zaffier bepaalde benodigde voorziening wordt verwerkt in de voorziening oninbare vorderingen van de gemeente. Vorderingen op openbare lichamen worden niet op oninbaarheid getoetst. Deze vorderingen worden als volwaardig beschouwd.

Rechtspraak bij dit artikel