Bij enkele incidenten op bouwplaatsen zijn binnen de bouwveiligheidszone voorwerpen gevallen. Deze zijn vervolgens afgeketst op in de bouwveiligheidszone aanwezige objecten zoals een hefsteiger en een bouwlift. Daardoor zijn deze voorwerpen buiten de fysieke afscheiding van het bouwterrein terecht gekomen.
Om rekening te houden met het risico op wegkaatsen van vallende voorwerpen tot buiten de fysieke afscheiding van het bouwterrein, zijn de volgende aanvullende regels van toepassing.
De totale afmeting van de bouwveiligheidszone wordt bepaald door de hoogte van het bouwwerk conform tabel 1.
Indien zich binnen de bouwveiligheidszone objecten bevinden waardoor de valrichting van een vallend voorwerp wordt beïnvloedt, dient de bouwveiligheidszone in sommige gevallen te worden vergroot .Deze is op tekening 6.7 aangegeven als BVZ+.
Voor het bepalen van BVZ+ is de hoogte van het object waarop een vallend voorwerp kan afkaatsen van toepassing. Aan de hand van deze hoogte wordt de bouwveiligheidszone bepaald volgens tabel 1. De meest ongunstigste situatie is hiervoor maatgevend. Hierdoor kan het dus voorkomen dat de fysieke afscheiding van het bouwterrein verplaatst dient te worden ten opzichte van de standaard bouwveiligheidszone (BVZ 1). Wanneer BVZ+ binnen BVZ 1 valt, blijft BVZ 1 (standaard bouwveiligheidszone) het uitgangspunt voor het plaatsen van de fysieke afscheiding van het bouwterrein.
Figuur 6.7 (weg kaatsende vallende objecten)
Objecten die de val kunnen beïnvloeden zijn onder meer:
hefsteigers;
bouwliften;
containers;
hulpconstructies;
rekken / voorraden bouwmateriaal.
Indien de bouwveiligheidszone niet kan worden vergroot, dient het object waardoor het risico op wegkaatsen ontstaat uit de bouwveiligheidszone te worden verwijderd. In ieder geval zolang de betreffende (hijs)werkzaamheden voortduren.
Hieronder nog enkele tekeningen van specifieke situaties in relatie tot vallende voorwerpen:
Figuur 6.8 (BVZ bij plaatsen elementen)
Als er aan de rand van een gebouw een object wordt geplaatst dat vanaf een andere zijde wordt gehesen (zie figuur 6.4), dient de bouwveiligheidszone te worden vergroot met de grootste afmeting van het te plaatsen object. De bouwveiligheidszone voor kleine vallende voorwerpen is dan de BVZ 1.
BVZ 2 + G vormen samen de bouwveiligheidszone waarvoor het valrisico geldt. Deze extra bouwveiligheidszone komt te vervallen zodra het object standzeker is gemonteerd (zie figuur 6.8).
Figuur 6.9 (BVZ bij opbouw steiger)
Tijdens de opbouw van een steiger dient de bouwveiligheidszone tijdelijk te worden vergroot. Het grootste steigeronderdeel dat wordt aangebracht is hiervoor maatgevend. De fysieke afscheiding van het bouwterrein wordt hierdoor (tijdelijk) verplaatst. De tijdelijke bouwveiligheidszone tijdens de opbouw van de steiger is dan BVZ 1 + BVZ 2 + BVZ 3 (zie figuur 6.9).
Wanneer de steiger is opgebouwd, wordt BVZ 1 gemeten vanaf de buitenzijde van de steiger.
Hoofdstuk 6 › Paragraaf 6.2
Artikel 6.2.8
Vergroten bouwveiligheidszone in verband met weg kaatsende voorwerpen
Onderdeel van Beleidsregel bouw- en sloopveiligheid Rijswijk 2026