Uitgangspunt is dat ouder(s) zelf verantwoordelijk zijn voor vervoer van de jeugdige van en naar de jeugdhulpaanbieder.
Het college verstrekt alleen een vervoersvoorziening aan de jeugdige ten behoeve van het vervoer van de jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt.
Het college kent uitsluitend een vervoersvoorziening aan de jeugdige toe:
als naar het oordeel van het college is aangetoond dat er een medische noodzaak bestaat of beperkingen in de zelfredzaamheid bestaan tot inzet van deze voorziening; en
als de enkele reisafstand meer bedraagt dan 6 kilometer en minder dan 40 kilometer, tenzij de aard van de medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid het nemen van eigen verantwoordelijkheid voor het vervoer onevenredig maken.
Het college stelt de enkele reisafstand vast aan de hand van de kortste route volgens de ANWB-routeplanner tussen het ophaaladres van de jeugdige en de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt.
Het college beoordeelt, overeenkomstig artikel 10, in elke individuele situatie of er specifieke omstandigheden zijn waardoor de balans tussen de draagkracht en draaglast van de jeugdige of zijn ouder(s) niet in evenwicht is en zij daardoor de eigen verantwoordelijkheid voor het vervoer niet op zich kan nemen.
Als naar het oordeel van het college een passende voorziening beschikbaar is waarvoor geen vervoer geïndiceerd hoeft te worden, heeft deze voorziening voorliggend op een indicatie waarvoor wel vervoer geïndiceerd moet worden.
De vervoersvoorziening betreft groepsvervoer per taxi bij een gecontracteerde vervoerder, tenzij groepsvervoer niet mogelijk is. In dat laatste geval zet het college individueel vervoer in per taxi bij een gecontracteerde vervoerder.
In plaats van een vervoersvoorziening kan het college op verzoek van de jeugdige of zijn ouder(s) een vergoeding per kilometer verstrekken. Voor de hoogte van het bedrag van deze vergoeding wordt aangesloten bij het maximale bedrag van de reiskostenvergoeding dat de Rijksoverheid hanteert. Het college stelt de vergoeding per kilometer vast op de reisafstand van de kortste route retour volgens de ANWB-routeplanner tussen het ophaaladres van de jeugdige en de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt.
De looptijd van een beschikking tot verstrekking van een vervoersvoorziening kan afwijken van de looptijd van de beschikking voor de individuele jeugdhulpvoorziening zelf, als de noodzaak voor vervoer daartoe aanleiding geeft.
Het college kan nadere regels stellen.