Onverminderd dat jeugdhulp toegankelijk is na verwijzing door de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts, komt een jeugdige of ouder slechts in aanmerking voor een door het college verleende individuele voorziening als het college van oordeel is dat de jeugdige of ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen en voor zover zij geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag:
Binnen hun eigen draagkracht zoals bedoeld in artikel 10;
Door gebruik te maken van een andere voorziening, of;
Door gebruik te maken van een overige voorziening.
Het college verleent geen individuele voorziening als het hulpverleningstraject waarvoor de jeugdige en/of de ouders die voorziening vragen op het moment van aanvraag al is afgerond, tenzij sprake is van gewijzigde omstandigheden of een hernieuwde hulpvraag.
Overeenkomstig de definitie van jeugdhulp uit artikel 1.1, van de wet wordt geen individuele voorziening verstrekt voor hulp of ondersteuning aan een jeugdige die niet noodzakelijk is op grond van een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal probleem, gedragsprobleem of beperking, maar die voortkomt uit een behoefte die past bij de normale ontwikkeling van de jeugdige van een bepaalde leeftijd. Bij de beoordeling hiervan wordt aangesloten bij de uitgave ‘Opgroeien en opvoeden. Normale uitdagingen voor kinderen, jongeren en ouders’ van het Nederlands Jeugdinstituut’, zoals opgenomen in bijlage 2 bij deze verordening.
Een andere of overige voorziening kan de noodzaak verminderen of wegnemen als deze:
daadwerkelijk beschikbaar is; en
passend en toereikend is voor de hulpvraag.
Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate, tijdig beschikbare voorziening.
Een individuele voorziening jeugdhulp wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt het college door vast te stellen of de individuele voorziening wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag en er wordt waar beschikbaar gewerkt met een bewezen effectieve interventie. Indien er geen bewezen effectieve interventie is, moet de jeugdhulpaanbieder aantonen dat hij werkt met een practice based methodiek of een historisch en in de branche gangbare methodiek. In geen geval mag er gewerkt worden met een bewezen niet effectieve interventie.
Er is sprake van bewezen effectieve voorzieningen als de effectiviteit is vastgesteld in wetenschappelijk onderzoek en de interventie(s) zijn opgenomen als zijnde ‘erkend’ in:
de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut;
de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden;
de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg);
In situaties waarbij ouders begeleiding, behandeling of ondersteuning ten gevolge van maatschappelijke of eigen psychische of relationele problemen nodig hebben en er naar het oordeel van het college geen sprake is van een hulpvraag als bedoeld in deze verordening, komt een jeugdige of zijn ouder(s) niet in aanmerking voor een door het college te verlenen individuele voorziening als bedoeld in deze verordening.
Het voorgaande lid is niet van toepassing als er parallel aan een hulpvraag sprake is van meervoudige problematiek in de context van het gezin.
HOOFDSTUK 4.
Artikel 9.
Criteria voor toekenning van een individuele voorziening
Onderdeel van Verordening Jeugdhulp Hardinxveld-Giessendam 2026