De burgemeester voert altijd een slechtlevensgedragstoets uit bij een aanvraag voor:
een evenementenvergunning als bedoeld in artikel 2:16 e.v. APV, wanneer het vechtsportwedstrijden of gala’s betreft, waaronder in ieder geval wordt begrepen kooigevechten, kickboksevenementen, freefightevenementen en daarmee vergelijkbare activiteiten en al dan niet in wedstrijdverband georganiseerde evenementen waarbij de menselijke waardigheid in het geding is;
een vergunning voor de exploitatie van een openbare inrichting, zoals bedoeld in artikel 2.24 e.v. APV;
een vergunning voor een aangewezen bedrijfsmatige activiteit of bedrijfsmatig gebouw, zoals bedoeld in artikel 2.80 APV;
een vergunning voor een seksbedrijf, zoals bedoeld in artikel 3:3 e.v. APV;
een vergunning voor het uitoefenen van een horeca- of slijtersbedrijf en een tapontheffing, zoals bedoeld in de Alcoholwet;
een vergunning voor de aanwezigheid van kansspelautomaten, zoals bedoeld in de Wet op de Kansspelen.
De burgemeester voert een slechtlevensgedragstoets uit bij reeds verleende vergunningen als;
een vergunninghouder een nieuwe betrokkene krijgt, zoals bedoeld in artikel 1 onder c, of;
er feiten, omstandigheden of signalen zijn, die na de vergunningverlening bij de burgemeester bekend zijn geworden en die gelet op het woon- en leefklimaat en de openbare orde en veiligheid aanleiding geven tot onderzoek naar het levensgedrag van een betrokkene, zoals bedoeld in artikel 1 onder c.