Of een ruimte een woning is, wordt niet alleen bepaald door uiterlijke kenmerken, zoals de bouw en de aanwezigheid van een bed en andere huisraad, maar ook op basis van de daadwerkelijk daaraan gegeven feitelijke bestemming. Of in een woning wordt gewoond kan onder meer blijken uit de inschrijving in de Basisregistratie personen (Brp), de inrichting van de ruimte/het pand en het feitelijke gebruik dat van de ruimte wordt gemaakt10Kamerstukken II 1995/96, 24 699, nr. 3, p. 5 en 6..
Wordt door een persoon in een pand incidenteel overnacht dan is niet zonder meer sprake van een woning.
Ook schijnbewoning komt voor, bijvoorbeeld als bewoning wordt gesimuleerd door het plaatsen van wat schaars meubilair of kleding. Gebruik voor woondoeleinden met een meer dan incidenteel karakter is dan niet aannemelijk, zodat in deze gevallen niet wordt aangenomen dat sprake is van een woning11O.a. ABRvS 6 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1447..
Wordt een woning niet feitelijk bewoond, dan zijn op die woning de regels omtrent lokalen van toepassing.
Bij woningen spelen bijzondere belangen die niet aan de orde zijn bij lokalen. Het sluiten van een woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet kan voor bewoners ingrijpende gevolgen hebben, die een inmenging kunnen vormen in het in de artikelen 10 van de Grondwet en 8 van het EVRM beschermde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Om die reden geldt bij de toepassing van artikel 13b van de Opiumwet als wettelijk uitgangspunt dat bij een eerste overtreding van de Opiumwet in een woning, niet direct tot sluiting dient te worden overgegaan, maar moet worden volstaan met een waarschuwing of soortgelijke (minder ingrijpende) maatregel. Alleen in ernstige gevallen mag van dit uitgangspunt worden afgeweken.
Los van dit wettelijk uitgangspunt dient de burgemeester ingeval van een woning altijd een afweging te maken of de nadelige gevolgen voor de betrokken(en) zich verhouden tot de omstandigheden die een noodzaak tot sluiting opleveren. Er kunnen zich bijzondere omstandigheden voordoen, die ertoe kunnen leiden dat een minder ingrijpende maatregel, zoals een waarschuwing, evenrediger is. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij een overtreding van relatief geringe ernst, in combinatie met de aanwezigheid van minderjarige(n), als sprake is van psychisch of fysiek kwetsbare personen die een specifieke binding met de woning hebben, of als voorzienbaar is dat bewoners na de sluitingsmaatregel niet meer in hun woning kunnen terugkeren, vanwege ontbinding van de huurovereenkomst.
Hoewel bovenstaande aspecten niet per definitie betekenen dat een sluiting onevenredig is, komt hieraan wel zwaar gewicht toe bij de beoordeling van de vraag of de burgemeester van zijn aan artikel 13b van de Opiumwet ontleende bevoegdheid gebruik kan maken en zo ja, op welke wijze (met welke maatregel, met welke intensiteit van de maatregel, etc.). Hierbij wordt echter ook gekeken naar de ernst van de overtreding.
Concreet dient de burgemeester per geval te beoordelen of een sluiting evenwichtig is, of dat moet worden volstaan met een waarschuwing of een last onder dwangsom. Dit komt neer op het verrichten van maatwerk.
Hoofdstuk 2. › Paragraaf 2.3.
Artikel 2.3.1.
Woningen
Onderdeel van Beleidsregel artikel 13b Opiumwet (Wet Damocles) gemeente Baarle-Nassau 2026