Naar hoofdinhoud
1.. Uittreding uit de Regeling is gebaseerd op een besluit van een deelnemend bestuursorgaan. Het Algemeen Bestuur zendt het voornemen onverwijld door aan de andere Deelnemer. Omdat dan slechts een Deelnemer overblijft, is een verzoek tot uittreding een verzoek tot opheffing als bedoeld in het zesde lid van dit artikel. 2.. Het Algemeen Bestuur stelt een voorstel op voor de financiële, personele en overige gevolgen voor OVER-gemeenten. De kosten voor het maken van het voorstel komen voor rekening van de Deelnemer die voornemens is uit te treden. 3.. De Deelnemer die voornemens is uit te treden neemt op basis van het voorstel, bedoeld in het tweede lid, een definitief besluit, onverminderd het bepaalde in artikel 1, tweede en derde lid, van de Wet. De uittreding geschiedt per 1 januari van enig kalenderjaar met inachtneming van een opzegtermijn van tenminste twee volle kalenderjaren. Artikel 26 van de Wet wordt in acht genomen. 4.. Na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde besluiten, stelt het algemeen bestuur, op voorstel van het dagelijks bestuur, met in achtneming van de uittredingsregeling, een uittredingsplan vast. In het uittredingsplan worden de specifieke condities, waaronder de financiële gevolgen van uittreding geregeld, waarbij de belangen van de uittredende deelnemer en die van de achterblijvende deelnemers op evenwichtige wijze worden afgewogen en waarbij de uittredingsom zo laag als redelijkerwijs mogelijk wordt gehouden. 5.. Het Dagelijks Bestuur is belast met de uitvoering van de liquidatie. 6.. Als de regeling uit twee Gemeenten bestaat, leidt een besluit tot uittreding van een van de Gemeenten automatisch tot opheffing van de regeling. Het Algemeen Bestuur stelt zowel een uittredingsbesluit als een liquidatieplan op dat voorziet in de verplichting van de Gemeenten alle rechten en verplichtingen van het openbaar lichaam over de Gemeenten te verdelen op een in dit plan te bepalen wijze. Bij het opstellen van het liquidatieplan wordt gerekend met de op dat moment geldende financiële inbrengverhouding van de Deelnemers tenzij er al dan niet eerder afgesproken bijzondere motieven zijn om daarvan af te wijken. Het plan wordt tegelijk en in samenhang met het uittredingsbesluit opgesteld en bestuurlijk behandeld.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel