Onder zelfstandig reizen met het openbaar vervoer, bedoeld in de definitie ‘gehandicapte leerling’ in de verordening, wordt verstaan: het vermogen van een leerling om, al dan niet met behulp van hulpmiddelen of begeleiding op afstand, zonder de fysieke aanwezigheid van een begeleider met het openbaar vervoer van en naar school te reizen. Van begeleiding op afstand is sprake wanneer een ouder, verzorger of andere verantwoordelijke persoon tijdens de reis telefonisch of digitaal bereikbaar is om, indien nodig, op afstand ondersteuning of instructie te bieden.
Het college stelt vast of er sprake is van een handicap en beoordeelt of deze handicap de directe oorzaak is van het niet of niet zelfstandig kunnen reizen met het openbaar vervoer.
De beoordeling richt zich op de functionele beperkingen bij de leerling tijdens de reis, zoals beperkingen op het gebied van:
het navigeren of volgen van de route;
het omgaan met overstappen;
het omgaan met prikkels, onverwachte situaties of tijdsdruk;
Verkeersveilig gedrag;
communicatieve vaardigheden die nodig zijn om hulp te vragen of informatie op te nemen;
medische risico's onderweg.
Een beperking wordt alleen meegewogen wanneer deze aantoonbaar leidt tot onveiligheid, overbelasting of het ontbreken van de vaardigheden die nodig zijn om zelfstandig met het openbaar vervoer te reizen.
Het college baseert de beoordeling op objectieve gegevens, zoals medische informatie, deskundigenadvies, schoolinformatie en observaties uit vervoerstraining indien van toepassing.
Voordat wordt vastgesteld of de handicap het zelfstandig reizen met het openbaar vervoer verhindert, onderzoekt het college of de beperkingen kunnen worden gecompenseerd, verminderd of tijdelijk opgeheven door inzet van aanpassingen, ondersteuning of training. Hierbij wordt in ieder geval onderzocht of:
Behandeling, medicatie of therapie
er een behandeltraject is dat leidt tot verbetering van de vaardigheden of belastbaarheid;
de beperking tijdelijk is verergerd door omstandigheden die behandelbaar of herstelbaar zijn.
Begeleiding of het aanleren van vaardigheden
de leerling door middel van vervoerstraining de vaardigheden kan aanleren die nodig zijn om zelfstandig met het openbaar vervoer te reizen;
begeleiding op afstand voldoende compensatie biedt om zelfstandig reizen mogelijk te maken.
Inzet van hulpmiddelen
er hulpmiddelen beschikbaar zijn die de beperking kunnen compenseren, zoals een noise-cancelling koptelefoon, GPS-tracking, apps voor begeleiding op afstand, een reisrouteplanner, mobiliteitshulpmiddelen of hulpmiddelen voor medische behoeften.
Aanpassen van reisomstandigheden of dagindeling
een alternatieve of langere reisroute de belasting kan verminderen doordat deze rustiger of eenvoudiger is;
een aangepaste dagindeling, zoals extra voorbereiding of rustmomenten, de leerling n staat stelt de reis zelfstandig te maken.
Bij de toepassing van artikel 9, 23 en 24 van de verordening wordt onderscheid gemaakt tussen een structurele en een tijdelijke handicap. Er is sprake van een structurele handicap wanneer:
de handicap naar verwachting langer dan drie maanden zal voortduren; en
de beperking in het zelfstandig reizen niet binnen drie maanden voldoende kan worden opgeheven door aanpassingen of ondersteuning zoals genoemd in het derde lid.
Hoofdstuk 3.
Artikel 6