Deze beleidsregel is een integraal afwegingskader voor de burgemeester bij de aanpak van (groepsgewijze) verstoring van de openbare orde in de gemeente. In deze beleidsregel wordt aangegeven hoe de burgemeester omgaat met de bevoegdheden op grond van de APV en die op grond van 172a en 172b van de Gemeentewet.
Verstoring van de openbare orde is bijvoorbeeld: intimiderend (groeps)gedrag, het plegen van strafbare feiten zoals bijvoorbeeld handel in en gebruik van drugs, (openlijke) geweldpleging, samenscholing van personen, vernielingen, vechten op straat, rondhangen en hinderlijk gedrag op de weg, luidruchtig en agressief gedrag en het anderszins lastigvallen van burgers.
De APV biedt de mogelijkheid voor de burgemeester om op te treden tegen de lichtere vormen van verstoring van de openbare orde middels een gebiedsontzegging. De artikelen 172a en b Gemeentewet (Wet maatregelen bestrijding voetbalvandalisme en ernstige overlast) geven de burgemeester bevoegdheden om op te treden tegen zwaardere vormen van of meer structureel overlast gevend gedrag door onder andere een gebiedsverbod of begeleidingsplicht.
De bevoegdheden van de Gemeentewet en de APV houden een beperking in van de bewegingsvrijheid van het individu. Dit is een beperking van het recht om zich zonder inmenging van de overheid te verplaatsen (vrijheidsbeperking). Een juiste toepassing van de bevoegdheden moet daarom zijn gewaarborgd. Dit betekent dat de maatregel een legitiem doel moet dienen, waarbij tevens wordt voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De burgemeester heeft te allen tijde de bevoegdheid hiervan af te wijken indien (bijzondere) omstandigheden, gelet op de openbare orde, daartoe aanleiding geven.
Deze beleidsregels hebben geen betrekking op woonoverlast als bedoeld in artikel 151d van de Gemeentewet en artikel 2:79 van de APV Veendam. Die overlast heeft betrekking op overlast vanuit een woning of erf of in de onmiddellijke nabijheid daarvan.