De nadruk ligt op het preventieve aspect van handhaving. Het college wil het onbedoeld niet-naleven voorkomen. Daarnaast blijft het belangrijk om op te treden tegen misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-naleving van de regels die bij een uitkering horen.
Het sociale stelsel verliest uiteindelijk aan geloofwaardigheid en draagvlak als het niet-naleven van regels geen gevolgen heeft en uitkeringen terecht komen bij mensen die daar geen recht op hebben.
Het overtreden van regels gebeurt niet altijd opzettelijk. In de praktijk is het niet eenvoudig om onderscheid te maken tussen moedwil en vergissingen of onvermogen. Maar er blijven altijd situaties waarin het nodig is om consequenties te verbinden aan iemands gedrag. Dit gebeurt met de nodige zorgvuldigheid en het toepassen van de menselijke maat.
Een bijstandsgerechtigde is verplicht om naar vermogen te doen wat mogelijk is om weer aan het werk te komen. Soms werkt iemand daar niet aan mee. Dan kan een maatregel worden opgelegd, een tijdelijke verlaging op de uitkering. Maatregelen zijn in principe bedoeld om de bijstandsgerechtigde zijn gedrag te laten aanpassen. Voor zover de wet daartoe dat toelaat (bij de niet-geüniformeerde verplichtingen), is in de afstemmingsverordening dan ook ruimte voor die gedragsverandering. Een uitkering kan alleen goed vastgesteld worden op basis van de juiste informatie; daarom bestaat de inlichtingenplicht. Controles daarop zijn dan ook onderdeel van de dagelijkse dienstverlening. Dat begint bij de uitkeringsaanvraag. Een zorgvuldige controle bij het toekennen van een uitkering zorgt ervoor dat uitkeringsgelden goed besteed worden en het voorkomt dat onterecht verstrekte uitkeringen teruggevorderd moeten worden. Daarnaast voorkomt het ook dat er een boete opgelegd moet worden.
Hoofdstuk 3
Artikel 3.3
Aanpakken waar nodig is
Onderdeel van Handhavingsvisie Participatiewet, IOAW en IOAZ Gouda 2024