Bij faciliterend grondbeleid laat de gemeente de initiatieven over aan de markt. Private ontwikkelingen worden getoetst aan het gemeentelijk beleid. De invloed en sturing van de gemeente op het uiteindelijke plan is beperkter (de gemeente is immers afhankelijk van de grondeigenaar), maar de gemeente draagt ook beperkt financiële risico’s. De initiatiefnemer betaalt een exploitatiebijdrage voor de kosten die de gemeente heeft gemaakt (verplicht kostenverhaal). Naast dit kostenverhaal biedt artikel 13.23 van de Omgevingswet de mogelijkheid tot verhaal van financiële bijdragen in omgevingsplan (verder uitgewerkt in artikel 8.21 Omgevingsbesluit). Hiermee is het mogelijk om een financiële bijdrage te vragen als bijdrage aan de verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving (af te dwingen in een omgevingsplan) voor nieuwe ontwikkelingen die plaatsvinden buiten het plangebied (zie ook paragraaf B2.2).
Zodra het wenselijk is om algemeen geldende regels voor kostenverhaal op te nemen in (toekomstige) wijzigingen van het Omgevingsplan, dan wordt dat meegewogen. Tot die tijd wordt vooral gewerkt met individuele anterieure overeenkomsten, die door het college of onder (sub)mandaat worden getekend, passend binnen de geldende mandaatregeling. Bij twijfel of grotere projecten is een collegebesluit nodig.
Een van de principes van het gemeentelijk grondbeleid (paragraaf 3.2) is dat, afhankelijk van de situatie, voor één van de drie hiervoor genoemde vormen van grondbeleid wordt gekozen. Onafhankelijk daarvan hebben wij in de Omgevingsvisie de condities geformuleerd om een financiële bijdrage te vragen voor kwalitatieve verbeteringen in de fysieke omgeving.
Hoofdstuk 3. › Paragraaf 3.1
Artikel 3.1.3
Faciliterend grondbeleid
Onderdeel van Nota Grond- en Vastgoedbeleid 2026-2030