Er hoeft geen vervoersvoorziening verstrekt te worden als er sprake is van een algemeen gebruikelijke vervoersbehoefte. Hieronder wordt in principe verstaan het vervoer van thuiswonende minderjarige kinderen of het vervoer van partners. In dat geval worden de ouder(s) of partner geacht het vervoer te verzorgen. Wel moet in de concrete situatie onderzocht worden of de algemeen gebruikelijke ondersteuning ook daadwerkelijk kan worden geboden. Factoren die hier een rol kunnen spelen zijn:
de vervoersbehoefte bestaat op tijdstippen dat degene die het vervoer zou kunnen verzorgen werkt;
degene die het vervoer zou kunnen verzorgen beschikt niet over een eigen vervoermiddel dat geschikt is om de cliënt te vervoeren;
degene die het vervoer zou kunnen verzorgen beschikt niet over een rijbewijs;
degene die het vervoer zou kunnen verzorgen is vanwege eigen beperkingen niet in staat de persoon te begeleiden in het openbaar vervoer of op andere wijze te vervoeren.
Dit betekent dat in zulke situaties (aanvullende) ondersteuning noodzakelijk kan zijn.
Daarnaast bestaat er ook geen aanspraak op een maatwerkvoorziening als de voorziening zelf aangemerkt kan worden als een algemeen gebruikelijke vervoersvoorziening. Voorbeelden hiervan zijn:
een fiets, inclusief een (tweedehands) fiets met elektrische trapondersteuning, tandem, aankoppelfiets, fietszitje of fietsaanhanger, bakfiets, zijwieltjes aan een fiets;
een snorfiets, spartamet, brommer en scooter;
een vergoeding die iemand betaalt voor het gebruik van het vervoermiddel van een derde;
de eigen auto;
de kosten van het behalen van een (brommer)rijbewijs;
zittend ziekenvervoer bij bepaalde aandoeningen. Ook een hiervoor verschuldigde eigen bijdrage is algemeen gebruikelijk.
Of een fietsachtige voorziening algemeen gebruikelijk is, hangt onder andere af van de leeftijd van de cliënt. Zo zijn zijwieltjes bij een volwassene niet algemeen gebruikelijk.
Ook kunnen de kosten van bijvoorbeeld het gebruik van een eigen auto niet algemeen gebruikelijk zijn als de auto ook gebruikt moet worden voor afstanden die een ander normaal gesproken per fiets of lopend aflegt.
Bij de vraag of er sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening moet ook altijd gekeken voor naar de individuele situatie waarin de cliënt verkeert (zie ook hoofdstuk 1). Als de cliënt stelt dat hij de voorziening niet kan betalen (bijvoorbeeld op grond van zijn inkomen of vanwege schulden) dient hij dit aan te tonen.
De kosten van het gebruik van het openbaar vervoer zijn eveneens algemeen gebruikelijk.
In de afweging of iets algemeen gebruikelijk is en of dit gedragen kan worden door iemand met een minimum inkomen kan ook de aanschaf van een tweedehands voorziening meegenomen worden. Als dit een adequate oplossing kan zijn voor een probleem ziet het college hierin een juiste afweging met betrekking tot het feit of een voorziening algemeen gebruikelijk is.
Elektrische fiets
Met betrekking tot de aanschaf van (expliciet) een tweedehands elektrische fiets ziet het college als algemeen gebruikelijke voorziening die tot het gebruikspatroon van de gehele bevolking behoort. In alle wijken, onder alle inkomensklassen en van jong tot oud worden personen gezien die rijden op elektrische fietsen. Wanneer een nieuwe fiets niet tot het normale bestedingspatroon behoort wordt gekeken naar een tweedehands exemplaar wat wel voldoet aan de criteria van algemeen gebruikelijk. Natuurlijk zullen er altijd individuele omstandigheden zijn die maken dat een specifiek persoon een elektrische fiets niet kan aanschaffen, maar deze door beperkingen wel nodig heeft. Dit moet uit het onderzoek naar de hulpvraag blijken en afgewogen worden.
Hoofdstuk 4
Artikel 37.
Algemeen gebruikelijk vervoer
Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Enkhuizen 2025