Naar hoofdinhoud
1.. Er bestaat alleen recht op een voorziening voor vervoer als er sprake is van een beperking of medische noodzaak van de jeugdige waardoor hij/zij niet zelfstandig of met hulp van diens ouders naar de bestemming waar jeugdhulp wordt geboden kan reizen waarbij de volgende uitgangspunten gelden: Ouders van jeugdigen onder de 12 jaar en/of diens sociale netwerk zijn in beginsel zelf verantwoordelijk voor het vervoer en begeleiding/toezicht naar en van jeugdhulplocatie; Kinderen ouder dan 12 jaar worden in beginsel geacht zelf naar en van de jeugdhulplocatie te kunnen reizen. 2.. Een vervoersvoorziening kan zijn: Een financiële vergoeding voor de (OV-)vervoerskosten die door jeugdige en eventueel begeleider worden gemaakt; Een budget aan de jeugdhulpaanbieder waarmee deze het vervoer van de jeugdige naar de plaats waar jeugdhulp wordt geboden kan inkopen of zelf kan uitvoeren, zoals bedoeld met SJH-profiel J; Een financiële bijdrage in de vervoerskosten die door jeugdige, ouders of diens sociale netwerk worden gemaakt voor zover de jeugdhulpaanbieder verantwoordelijk is voor vervoer maar dit niet biedt of kan bieden; Een voorziening in natura waarbij de jeugdige door een vervoersbedrijf wordt gehaald en gebracht voor zover de jeugdhulpaanbieder niet verantwoordelijk is voor het vervoer. 3.. Onder zelfstandig reizen wordt mede bedoeld: zelfstandig al dan niet samen met een hulpverlener, ouder met gezag of passende derde reizen met fiets, scooter, e-bike, fatbike, openbaar vervoer, taxi, eigen vervoer (auto). 4.. Indien een jeugdige ouder dan 12 jaar niet in staat is zelfstandig te reizen vanwege een beperking of medische noodzaak, wordt beoordeeld of ouders over voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen beschikken zoals bedoeld in artikel 12 van de Verordening om zelf het vervoer te realiseren. 5.. Indien ouders over voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen beschikken, wordt er geen vervoersvoorziening geïndiceerd. 6.. Er kan recht bestaan op een tegemoetkoming in de kosten voor vervoer voor jeugdigen vanaf 12 jaar waarbij diens ouders of andere personen uit het sociale netwerk zelf het vervoer uitvoeren waarvoor een jeugdhulpaanbieder in beginsel verantwoordelijk is, maar die dat vervoer redelijkerwijs niet kan realiseren. 7.. De noodzaak voor een vervoersvoorziening zoals bedoeld in artikel 13 lid 3 Verordening wordt beoordeeld aan de hand van de volgende criteria: Bij zorg in natura: In hoeverre er in de indicatie een budget voor vervoer voor de jeugdhulpaanbieder is opgenomen; In hoeverre de jeugdige in staat is of binnen 6 maanden kan zijn om zelfstandig te reizen, al dan niet met ondersteuning vanuit de ouders met gezag of jeugdhulpaanbieder; In hoeverre de jeugdhulpaanbieder het vervoer daadwerkelijk kan uitvoeren en wat daarin van de aanbieder mag worden verwacht, gelet op de aanbesteding- en contractafspraken; In hoeverre ouders beschikbaar zijn voor het uitvoeren van het vervoer gelet op artikel 12 van de Verordening; In hoeverre van ouders verwacht mag worden dat zij andere keuzes maken waardoor zij in het vervoer kunnen voorzien, gelet op artikel 12 van de Verordening. 8.. Een vergoeding voor vervoer zoals bedoeld in profiel J kan niet worden gestapeld met de profielen A t/m E. 9.. Voor zover via een 315-bericht wordt verzocht om een vervoersvergoeding als bedoeld in profiel J en daardoor stapeling ontstaat met profiel F, G, J of perceel Wonen of Pleegzorg, beoordeelt het Gebiedsteam of toekenning van de vervoersvoorziening noodzakelijk is. 10.. De bijdrage in de kosten is alleen mogelijk ten behoeve van het vervoer van jeugdigen vanaf 12 jaar die op grond van een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid niet zelfstandig kunnen reizen. 11.. De bijdrage in de kosten voor vervoer zoals bedoeld in het vorige lid bedraagt maximaal € 0, 20 per kilometer waarbij uitgegaan wordt van de kortste route. 12.. Bij een individuele voorziening in de vorm van een pgb is het niet mogelijk om aan ouders een financiële tegemoetkoming voor vervoerskosten te verstrekken, deze kosten zijn verwerkt in het pgb-tarief. 13.. In geval van maatwerk (overeenkomst) wordt na overleg met beleid en inkoopondersteuner beoordeeld of er in het individuele geval noodzaak bestaat voor het indiceren van een vervoersvoorziening.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel