6.2.1Invoering en toepassing van het afwegingskader
Om de inzet van het grondbeleid transparanter en navolgbaar te maken, wordt bij de beoordeling van ruimtelijke initiatieven gewerkt met een afwegingskader.
Dit kader helpt om de gemeentelijke rol, van faciliterend tot actief, op een systematische en onderbouwde manier te bepalen. Het is een hulpmiddel dat de bestaande werkwijze versterkt: het maakt inzichtelijk waarom een bepaalde rol passend is en onder welke voorwaarden die verantwoord kan worden ingezet.
Het afwegingskader sluit aan bij de uitgangspunten van maatschappelijk grondbeleid: een grondbeleid dat is ingericht om ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk te maken die optimaal bijdragen aan de brede maatschappelijke doelen van Oosterhout. Het ondersteunt het college om keuzes te maken die maatschappelijke waarde koppelen aan financiële haalbaarheid. Daarnaast sluit het kader aan op het gemeentelijke intakeformulier, waarin maatschappelijke meerwaarde, ruimtelijke inpassing en uitvoerbaarheid van initiatieven al globaal worden getoetst. De uitkomsten van die intake vormen de basis voor toepassing van het afwegingskader.
6.2.2Toepassing van het afwegingskader en knock-outcriterium
Het afwegingskader is bedoeld als bestuurlijk hulpmiddel, niet als standaardprocedure voor alle ruimtelijke initiatieven.
De kracht van het instrument zit juist in de gerichte en selectieve toepassing: het college gebruikt het alleen wanneer er reëel iets te kiezen valt over de gemeentelijke rol.
Voorgesteld wordt daarom om te werken met een knock-outcriterium dat bepaalt wanneer het afwegingskader niet hoeft te worden toegepast.
Dat voorkomt onnodige inzet van tijd en capaciteit en houdt het instrument bestuurlijk relevant.
Het college kan het afwegingskader achterwege laten in de volgende situaties:
Evident faciliterend zonder regie
Wanneer een initiatief kleinschalig is, weinig maatschappelijke impact heeft of volledig door particuliere partijen kan worden uitgevoerd binnen de bestaande beleids- en planologische kaders, is de gemeentelijke rol helder.
In zulke gevallen kan het college volstaan met het faciliteren binnen de gebruikelijke procedures, zonder toepassing van het afwegingskader.
Rolkeuze al bestuurlijk bepaald
Als de gewenste rol van de gemeente al eerder is vastgelegd in vastgesteld beleid, een programma, een samenwerkingsovereenkomst of een bestuurlijke uitspraak, is een nieuwe afweging niet nodig.
Het afwegingskader wordt dan niet toegepast, tenzij zich nieuwe omstandigheden voordoen die aanleiding geven tot heroverweging.
Inhoudelijk of financieel onuitvoerbaar
Wanneer uit de intake of de eerste verkenning blijkt dat een initiatief inhoudelijk, juridisch of financieel niet uitvoerbaar is, kan het college besluiten de verdere beoordeling te beëindigen.
Alleen als het initiatief in aangepaste vorm alsnog kansrijk is, wordt het opnieuw in behandeling genomen.
Deze drie situaties vormen samen het knock-outcriterium.
Ze zorgen ervoor dat het afwegingskader alleen wordt ingezet bij die initiatieven waar bestuurlijke afweging daadwerkelijk toegevoegde waarde heeft, bijvoorbeeld omdat maatschappelijke doelen, risico’s of financiële belangen zwaarder wegen of botsen.
6.2.3Wanneer het afwegingskader wel wordt toegepast
Wanneer een initiatief niet onder het knock-outcriterium valt, is toepassing van het afwegingskader wenselijk. Dat betekent dat er sprake is van een ontwikkeling met een zekere maatschappelijke betekenis, financiële of ruimtelijke complexiteit of bestuurlijke afwegingsruimte.
Het college doorloopt in dat geval drie opeenvolgende stappen:
het beoordelen van de maatschappelijke bijdrage en financiële haalbaarheid,
het betrekken van aanvullende criteria die de uitvoerbaarheid bepalen, en
het vaststellen van de voorkeursrol van de gemeente.
Stap 1: Integrale beoordeling
De eerste stap is het beoordelen van de maatschappelijke bijdrage en financiële haalbaarheid van een initiatief. Deze stap vormt de basis van de afweging en bepaalt of verdere beoordeling zinvol is. De beoordeling bouwt voort op de uitkomsten van het intakeformulier.
De Toekomstvisie Oosterhout 2030 vormt hierbij het referentiekader. Ontwikkelingen worden beoordeeld op hun bijdrage aan de centrale opgaven: een aantrekkelijk woonklimaat, een sterke en duurzame economie, een gezonde en inclusieve samenleving, een groene en klimaatbestendige leefomgeving en een goed bereikbare stad.
Om dit inzichtelijk te maken kan het college gebruikmaken van een eenvoudige impactmatrix, waarin per thema wordt aangegeven of de bijdrage van het initiatief beperkt, substantieel of afwezig is.
Het gaat nadrukkelijk om een hulpmiddel om de maatschappelijke betekenis zichtbaar te maken, niet om een cijfermatige score.
Zo’n eenvoudige impactmatrix kan bijvoorbeeld als volgt uitzien:
Daarnaast wordt de financiële haalbaarheid beoordeeld.
Die beoordeling richt zich niet alleen op de gemeentelijke positie, maar ook op de uitvoerbaarheid voor initiatiefnemers.
Belangrijke vragen zijn:
Zijn de investeringen realistisch?
Sluiten de verwachte opbrengsten aan bij de kosten?
Is sprake van een uitvoerbaar businessmodel, ook bij minder renderende onderdelen zoals publieke voorzieningen of maatschappelijke functies?
Een tekort kan aanvaardbaar zijn, mits het initiatief aantoonbaar bijdraagt aan de belangrijkste maatschappelijke opgaven en vooraf duidelijk is hoe het tekort financieel wordt gedekt.
Het college legt de dekking vast in hetzelfde besluit waarin de rolkeuze wordt bepaald. Dekking kan plaatsvinden via:
inzet van bestemmingsreserves of investerings-budgetten;
een aanvullend begrotingsbesluit, waaronder inzet van de algemene reserve.
Pas wanneer maatschappelijke bijdrage en financiële haalbaarheid voldoende zijn onderbouwd, kan het initiatief verder worden beoordeeld in de volgende stappen.
Stap 2: Aanvullende criteria
In de tweede stap worden aanvullende factoren betrokken die bepalend zijn voor de uitvoerbaarheid en de gewenste mate van gemeentelijke invloed.
Het gaat om de volgende aspecten:
Deze criteria geven het college inzicht in de bestuurlijke haalbaarheid en uitvoeringskracht van de gemeente bij een specifieke ontwikkeling.
Stap 3: Bepaling van de voorkeursrol
Na afronding van de eerste twee stappen volgt de keuze voor de voorkeursrol van de gemeente. Die keuze is geen automatische uitkomst van een rekensom, maar het resultaat van een bestuurlijke afweging op basis van maatschappelijke waarde, uitvoerbaarheid en risico’s.
Het college kan deze stap ondersteunen met een beslismatrix, waarin de criteria uit de vorige stappen worden samengebracht. De matrix maakt zichtbaar welke richting de criteria gezamenlijk op wijzen en welke rol het meest passend is.
Wanneer het kader wordt toegepast, legt het college de uitkomst vast in een collegebesluit. Daarin wordt gemotiveerd:
welke voorkeursrol is gekozen en waarom deze het best aansluit bij de maatschappelijke betekenis, uitvoerbaarheid en financiële haalbaarheid;
welke instrumenten worden ingezet om die rol vorm te geven;
en, indien van toepassing, welke financiële dekking of reservering daarvoor wordt vastgesteld.