Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 3.

Artikel 5.

Toegang via gecertificeerde instelling en justitiële instanties

Onderdeel van Verordening Jeugdhulp Heeze-Leende 2026

1.. De gemeente zorgt voor de inzet van jeugdhulp als: de rechter of de gecertificeerde instelling dat nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel; de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële inrichting dat nodig achten bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing; de gecertificeerde instelling dat nodig acht bij de uitvoering van de jeugdreclassering. 2.. De gemeente maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen over de vorm en inhoud van de beslissing tot inzet van jeugdhulp van de gecertificeerde instelling en hoe de gemeente daarvan op de hoogte gesteld wordt. 3.. Als de gecertificeerde instelling het voornemen heeft om te bepalen dat jeugdhulp moet worden ingezet die wordt geleverd door een aanbieder waarmee de gemeente geen contractrelatie heeft, voeren de gemeente en de gecertificeerde instelling daarover op overeenstemming gericht overleg. Het doel van dat overleg is om vast te stellen of het mogelijk is dat aan de jeugdige passende ondersteuning wordt geboden door een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente een contract- of subsidierelatie heeft. Voor zover dat niet mogelijk blijkt, richt het overleg zich op het verkrijgen van overeenstemming over de in te zetten jeugdhulp en de aanbieder waardoor deze jeugdhulp zal worden verleend. 4.. Als het overleg uit lid 3 niet tot overeenstemming leidt, neemt de gemeente een besluit over de inzet van de volgens de gecertificeerde instelling aangewezen jeugdhulp. De gemeente betrekt bij dat besluit het standpunt van de gecertificeerde instelling. 5.. Voor toegekende voorzieningen via het justitieel kader verstrekt de gemeente, anders dan in een geval als bedoeld in lid 4, geen beschikking. 6.. De gemeente kan nadere regels stellen over de toeleiding tot jeugdhulp via een gecertificeerde instelling.

Rechtspraak bij dit artikel