Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5

Artikel 5.3

Criteria individuele voorzieningen

Onderdeel van Verordening Jeugdhulp De Fryske Marren 2026

Jeugdigen en/of ouder(s) komen slechts in aanmerking voor een individuele voorziening wanneer het college of een andere verwijzer vaststelt dat: sprake is van concrete opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en/of stoornissen bij de jeugdige. inzet noodzakelijk is om de jeugdige gelet op deze problemen in staat te stellen: Gezond en veilig op te groeien Te groeien naar zelfstandigheid Voldoende redzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, en de jeugdige en/of ouder(s) zelf of met hun sociale netwerk geen passende oplossing voor de hulpvraag kunnen vinden (eigen kracht). Wanneer hiervan sprake is, staat in artikel 5.4 van deze verordening, en een algemene voorziening geen oplossing biedt voor de hulpvraag, en de jeugdige en/of ouder(s) geen aanspraak kunnen maken op een andere voorziening om de hulpvraag op te lossen. De individuele voorzieningen bestaat waar beschikbaar uit een bewezen effectieve interventie. Er is sprake van bewezen effectieve voorzieningen als de effectiviteit is vastgesteld in wetenschappelijk onderzoek en de interventie(s) zijn opgenomen als ‘erkend’ in: de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut; de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden; de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg). a. In situaties waarbij niet de jeugdige maar de ouders begeleiding, behandeling of ondersteuning nodig hebben als gevolg van maatschappelijke of eigen psychische of relationele problemen is er geen sprake van een hulpvraag als bedoeld in deze verordening en wordt geen individuele voorziening verleend. b. Het voorgaande is niet van toepassing als er naast de hulpvraag van de jeugdige sprake is van meervoudige problematiek in de context van het gezin. Als de aanvraag ziet op kosten voor jeugdhulp die de jeugdige en/of ouder(s) voorafgaand aan de aanvraag heeft gemaakt, verstrekt het college alleen een voorziening: als op het moment van de aanvraag sprake is van opgroei- of opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen en voor zover het college de noodzaak en geschiktheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen. Het college verstrekt alleen een voorziening als bedoeld in lid 4 als de gemaakte kosten betrekking hebben op een periode van maximaal 3 maanden vóór de aanvraag.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel