Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 6

Artikel 6:5

Wijze van verdeling

Onderdeel van Subsidieregeling jeugdpreventie Den Haag 2026

1.. Het college brengt een rangschikking aan in de aanvragen die op grond van dit hoofdstuk in aanmerking komen voor subsidie. 2.. Bij de rangschikking van de aanvragen voor activiteiten op grond van dit hoofdstuk kent het college punten toe aan de hand van de volgende criteria en tot het daarbij vermelde maximumaantal: wanneer uit de aanvraag blijkt dat de activiteit zich richt op één of meer van de volgende thema’s scoort de aanvrager maximaal vier punten: het voorkomen en terugdringen van psychosociale problemen dan wel versterking van mentale weerbaarheid en mentaal welbevinden van jeugdigen of ondersteuning van het gezin van de jeugdige, dit blijkt uit de inzet van activiteiten gericht op sport, bewegen of cultuur: 2 punten; het voorkomen dan wel het terugdringen van psychosociale problemen. Dit blijkt uit de inzet van activiteiten gericht op de vermindering van eenzaamheid van jeugdigen en het gezin: 2 punten; het versterken van de mentale weerbaarheid van de jeugdige. Dit blijkt uit activiteiten gericht op relationele- en seksuele weerbaarheid van jeugdigen: 2 punten; het versterken van de mentale weerbaarheid van de jeugdige. Dit blijkt uit activiteiten gericht op de digitale weerbaarheid en bewustwording van de gevaren van de online leefwereld van jeugdigen: 2 punten; uit de aanvraag blijkt dat de activiteit aanvullend is op het bestaande aanbod in Den Haag en aantoonbaar van meerwaarde is voor de jeugdigen of het gezin van de jeugdigen. Dit blijkt uit behoefteonderzoek onder jeugdigen of gezinnen van jeugdigen en ketenpartners: er heeft een behoefteonderzoek plaatsgevonden waarmee is onderbouwd dat de activiteit aanvullend is en meerwaarde heeft: 6 punten; er heeft een behoefteonderzoek plaatsgevonden waarmee is onderbouwd dat de activiteit aanvullend is of meerwaarde heeft: 3 punten; er heeft geen behoefteonderzoek plaatsgevonden of er heeft een behoefteonderzoek plaatsgevonden waarmee onvoldoende is onderbouwd dat de activiteit aanvullend is of meerwaarde heeft: 0 punten; bij de uitvoering van de in artikel 6:2 opgenomen activiteiten zet de aanvrager in op lotgenotencontact en psycho-educatie voor de jeugdigen: de activiteit zorgt voor lotgenotencontact voor de jeugdigen: 2 punten; er is aandacht voor psycho-educatie voor de jeugdigen: 2 punten; de aanvrager heeft aantoonbaar ervaring met het voorkomen en terugdringen van psychosociale problemen dan wel het versterken van mentale weerbaarheid van jeugdigen of het gezin van jeugdigen. Dit blijkt uit de ervaring van de aanvrager: ervaring van 3 jaar of meer: 4 punten; ervaring van 1 tot 3 jaar: 2 punten; ervaring van minder dan 1 jaar: 0 punten; de activiteit versterkt de weerbaarheid van de jeugdigen: de activiteit versterkt de positieve identiteit van de jeugdigen: 2 punten; de activiteit versterkt de sociale vaardigheden van de jeugdigen: 2 punten; de activiteit versterkt de zelfregie van de jeugdigen: 2 punten; de activiteit versterkt de zelfregulatie van de jeugdigen: 2 punten; de aanvrager zet bij de uitvoering van de activiteit in op het versterken van het sociaal netwerk van de jeugdigen: de activiteit versterkt het sociaal netwerk uitstekend: 4 punten; de activiteit versterkt het sociaal netwerk beperkt: 2 punten; de activiteit versterkt het sociaal netwerk niet: 0 punten; nadat de begeleiding aan de jeugdigen is afgerond levert de aanvrager, waar nodig, passende nazorg en verwijst door wanneer andere hulp nodig is: 2 punten; het netwerk van de aanvrager is voldoende relevant en betrokken bij de activiteit om in staat te zijn de jeugdigen of hun gezin naar de uit te voeren activiteit toe te leiden. Dit blijkt uit de kans dat jeugdigen of hun gezin vanuit het netwerk van de aanvrager naar de activiteit worden doorgeleid: de kans is groot dat de doelgroep naar de activiteit wordt geleid door het netwerk van de aanvrager: 6 punten; de kans is redelijk dat de doelgroep naar de activiteit wordt geleid door het netwerk van de aanvrager: 3 punten; de kans is klein dat de doelgroep naar de activiteit wordt geleid door het netwerk van de aanvrager: 0 punten; de aanvrager benadert de jeugdigen op een wijze die aansluit op de behoefte van de jeugdigen of hun gezin. Dit blijkt uit de aanpak voor communicatie die de aanvrager gebruikt om de doelgroep op diverse en proactieve manieren te bereiken en de mate waarin de activiteiten voor de doelgroep zichtbaar en vindbaar zijn: de kans is groot dat met de beschreven aanpak voor communicatie de doelgroep wordt bereikt: 6 punten; de kans is redelijk dat met de beschreven aanpak voor communicatie de doelgroep wordt bereikt: 3 punten; de kans is klein dat met de beschreven aanpak voor communicatie de doelgroep wordt bereikt: 0 punten; de aanvrager maakt bij de uitvoering van de activiteit gebruik van één of meerdere bewezen effectieve interventies. Dit blijkt uit de wetenschappelijke onderbouwing van die interventies: alle interventies die bij de uitvoering van de activiteit worden ingezet zijn opgenomen in de Databank Effectieve jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut: 4 punten; een deel van de interventies die bij de uitvoering van de activiteit worden ingezet is opgenomen in de Databank Effectieve jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut of zijn op een andere wijze wetenschappelijk onderbouwd of bewezen effectief : 2 punten; geen van de te gebruiken interventies zijn wetenschappelijk onderbouwd of bewezen effectief: 0 punten. 3.. Alleen aanvragen met een toegekend puntenaantal van 29 punten of meer komen in aanmerking voor subsidie. 4.. Wanneer het totaalbedrag van de te honoreren aanvragen hoger is dan het vastgestelde subsidieplafond op grond van dit hoofdstuk, honoreert het college de aanvragen in volgorde van de door het college aangebrachte rangschikking, totdat het vastgestelde subsidieplafond bereikt is. 5.. Als aanvragen na toepassing van het vierde lid gelijk zijn gerangschikt, stelt het college de onderlinge rangschikking van die aanvragen vast aan de hand van de hoogte van het aangevraagde subsidiebedrag waarbij het laagste bedrag voorgaat. 6.. Als aanvragen na toepassing van het vijfde lid gelijk zijn gerangschikt, stelt het college de onderlinge rangschikking van die aanvragen vast door middel van loting.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel