Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 3:5

Wijze van verdelen

Onderdeel van Subsidieregeling jeugdparticipatie Den Haag 2026

1.. Het college brengt een rangschikking aan in de aanvragen op grond van dit hoofdstuk die in aanmerking komen voor subsidie. 2.. Bij de rangschikking van de aanvragen bedoeld voor activiteiten in dit hoofdstuk kent het college punten toe aan de hand van de volgende criteria en tot het daarbij vermelde maximumaantal: uit de aanvraag blijkt dat de aanvrager inzicht heeft in welke behoeften jeugdigen hebben om talenten te kunnen ontwikkelen en betrokken te kunnen zijn bij de maatschappij en dat de activiteiten aansluiten bij deze behoeften: goede aansluiting: 6 punten; redelijke aansluiting: 3 punten; weinig tot geen aansluiting: 0 punten; jeugdigen worden structureel betrokken bij het opzetten en uitvoeren van de activiteiten, wat blijkt uit welke rol de jeugdigen hebben en hoe de aanvrager ervoor gaat zorgen dat de jeugdigen actief betrokken worden bij het opzetten en uitvoeren van de activiteiten: actief betrokken: 8 punten; betrokken: 4 punten; beperkt betrokken: 2 punten; niet betrokken: 0 punten; de aanvrager benadert de jeugdigen op een wijze die aansluit op de behoefte van de jeugdigen; dit blijkt uit de aanpak voor communicatie die de aanvrager gebruikt om de jeugdigen op diverse en proactieve manieren te bereiken en de mate waarin de activiteiten voor de jeugdigen zichtbaar en vindbaar zijn: de kans is groot dat met de beschreven aanpak voor communicatie de jeugdigen worden bereikt: 6 punten; de kans is redelijk dat met de beschreven aanpak voor communicatie de jeugdigen worden bereikt: 3 punten; de kans is klein dat met de beschreven aanpak voor communicatie de jeugdigen worden bereikt: 0 punten; het aantal vrijwilligers dat betrokken is bij de uitvoering van de activiteiten, wat blijkt uit de verhouding tussen het aantal vrijwilligers en professionals die betrokken zijn bij de uitvoering van de activiteiten: 75% of meer vrijwilligers ten opzichte van professionals: 4 punten; 50% tot 75% vrijwilligers ten opzichte van professionals: 2 punten; 25% tot 50% vrijwilligers ten opzichte van professionals: 1 punt; de aanvrager heeft een relevant netwerk en is in staat goed samen te werken met het netwerk om zo effectiever in samenhang de activiteiten uit te kunnen voeren; dit blijkt uit de contacten van de aanvrager met partners die ook werken met de jeugdigen, de mate waarin de onderlinge kennisdeling en doorverwijzing bij die contacten voorop staat en de actieve wijze waarop de aanvrager invulling geeft aan de samenwerking met die contacten: het netwerk en de samenwerking zijn bovengemiddeld: 6 punten; het netwerk en de samenwerking zijn gemiddeld: 3 punten; het netwerk of de samenwerking is onvoldoende: 0 punten; de activiteiten zijn gericht op het bevorderen van onderlinge verbinding tussen jeugdigen met een zo groot mogelijke diversiteit, zoals culturele achtergrond, socio-economische status, onderwijsvorm en woonwijk. Dit blijkt uit de beschrijving hoe de aanvrager voor een zo groot mogelijke diversiteit in deelnemers van de activiteiten gaat zorgen: de kans is groot dat aan de activiteiten een grote diversiteit van jeugdigen deelneemt: 6 punten; de kans is redelijk dat aan de activiteiten een grote diversiteit van jeugdigen deelneemt: 3 punten; de kans is klein dat aan de activiteiten een grote diversiteit van jeugdigen deelneemt: 0 punten; de aanvrager beschikt over cofinanciering: 50% of meer van de totale kosten van de activiteiten wordt gefinancierd vanuit cofinanciering: 3 punten; 25% tot 50% van de totale kosten van de activiteiten wordt gefinancierd vanuit cofinanciering: 2 punten; minder dan 25% van de totale kosten van de activiteiten wordt gefinancierd vanuit cofinanciering: 0 punten. 3.. Een aanvraag waaraan minder dan 24 punten zijn toegekend komt niet voor subsidie in aanmerking. 4.. Wanneer het totaalbedrag van de te honoreren aanvragen meer is dan het vastgestelde subsidieplafond, honoreert het college de aanvragen in volgorde van de door het college aangebrachte rangschikking, totdat het vastgestelde subsidieplafond in artikel 2:4 bereikt is. 5.. Als aanvragen na toepassing van het vierde lid gelijk zijn gerangschikt, stelt het college de onderlinge rangschikking van die aanvragen vast aan de hand van de hoogte van het aangevraagde subsidiebedrag waarbij het laagste bedrag voor gaat. 6.. Als aanvragen na toepassing van het vijfde lid gelijk zijn gerangschikt, stelt het college de onderlinge rangschikking van die aanvragen vast door middel van loting.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel