**1..** De motivering van een besluit tot vaststelling van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet, en het ontwerp daarvan als bedoeld in artikel 16.30 van de Omgevingswet, gaan vergezeld van een verslag met daarin een zakelijke weergave van de plaatsgevonden inspanningen, gericht op het verwerven of vergroten van het maatschappelijk draagvlak voor een voorstel voor het beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving en/of voor een voorgenomen besluit tot vaststelling van het omgevingsplan. Uitgangspunt voor de verslaglegging is dat deze zakelijke weergave in ieder geval voldoende inzicht geeft in:
welke burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties daadwerkelijk vroegtijdig hebben geparticipeerd (geanonimiseerd);
over welk voorstel / wijziging omgevingsplan de derde betrokkenen zich hebben kunnen uitspreken;
wanneer / op welke momenten de derde betrokkenen zich hebben kunnen uitspreken;
welk participatietraject is gevolgd;
welke informatie, kennis, belangen en standpunten derde betrokkenen naar voren hebben gebracht (bij de initiatiefnemer);
of (en hoe) de inbreng van derde betrokkenen heeft geleid tot aanpassing van het eerst beoogde voorstel en/of voorgenomen besluit tot vaststelling van het omgevingsplan en waarom (niet); en
hoe derde betrokkenen zijn geïnformeerd over het vervolgproces.
**2..** Uit het verslag als bedoeld in het eerste lid kan in afdoende mate worden afgeleid dat het proces van vroegtijdige publieksparticipatie op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.
**3..** Het eerste lid is niet van toepassing indien in de kennisgeving als bedoeld in artikel 3 van deze regeling is aangegeven dat géén vroegtijdige publieksparticipatie plaatsvindt.
**4..** Voor een geval als bedoeld in het derde lid bevat de motivering van het besluit tot vaststelling van het omgevingsplan een verantwoording waarom geen vroegtijdige publieksparticipatie is toegepast.
Artikel 8