Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3 › Afdeling 1.

Artikel 3.1

Inkomstenvrijlating

Onderdeel van Beleidsregels Participatiewet Ermelo, Harderwijk en Zeewolde 2026

1.. Aanvaarding van betaalde werkzaamheden gedurende de bijstandsperiode wordt in beginsel geacht bij te dragen aan arbeidsinschakeling. 2.. De inkomstenvrijlating is van toepassing op inkomsten uit arbeid die na de ingangsdatum van de uitkering zijn aangevangen. 3.. Bij het ontvangen van inkomsten uit arbeid bij aanvang van de uitkering geldt de inkomstenvrijlating vanaf het moment dat er sprake is van een structurele urenuitbreiding. 4.. Als inkomsten uit arbeid in deeltijd worden mede aangemerkt: doorbetaling van loon door de werkgever tijdens ziekte; een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg in verband met zwangerschap en bevalling; een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) in verband met ziekte als gevolg van zwangerschap of bevalling; inkomsten uit arbeid in eigen bedrijf of zelfstandig beroep als deeltijds zelfstandige. 5.. Voor toepassing van de inkomstenvrijlating op de inkomsten, als bedoeld in lid 4 onder d, dient een uitkeringsgerechtigde door het college aangemerkt te zijn als deeltijd- of marginaal zelfstandige. 6.. Het recht op de inkomstenvrijlating bestaat bij gehuwden voor ieder van de partners afzonderlijk. 7.. De inkomstenvrijlatingen zoals bedoeld in artikel 31, tweede lid, onder n, r, y, z van de Participatiewet kunnen worden opgeschort gedurende de maanden dat er geen inkomsten worden verworven. 8.. Het recht op de inkomstenvrijlating bestaat één keer per bijstandsperiode. 9.. Als de uitkeringsperiode ten minste 6 maanden wordt onderbroken, ontstaat er een nieuw recht op de inkomstenvrijlating. 10.. De inwoner heeft geen recht op inkomstenvrijlating als hij inkomsten uit arbeid heeft en deze inkomsten niet gemeld heeft. De inwoner heeft dan niet voldaan aan de inlichtingenplicht.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel