Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4 › Afdeling 2

Artikel 4.4

Algemene bepalingen draagkracht

Onderdeel van Beleidsregels Participatiewet Ermelo, Harderwijk en Zeewolde 2026

1.. De draagkracht die in aanmerking wordt genomen bij de beoordeling van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld met inachtneming van de middelen als bedoeld in artikel 35 van de Participatiewet. 2.. Bij de bepaling van aanwezige draagkracht wordt in ieder geval rekening gehouden met de draagkrachtperiode, het vermogen en het inkomen. 3.. Voor de vaststelling van de draagkracht zijn eveneens de bepalingen zoals benoemd in Hoofdstuk 3 van deze beleidsregels van toepassing. 4.. Het college laat voor de bepaling van de draagkracht buiten beschouwing: het inkomen in de vorm van een particuliere oudedagsvoorziening, zoals bedoeld in artikel 33, vijfde lid van de Participatiewet; de middelen zoals genoemd in artikel 31, lid 2 van de Participatiewet; de voor de persoon of het gezin algemeen gebruikelijke bezittingen in natura als bedoeld in artikel 34, tweede lid, sub a van de wet; Het vermogen in de eigen woning, bedoeld in artikel 34, lid 2 sub d van de Participatiewet, voor zover dit vermogen minder bedraagt dan het bedrag genoemd in artikel 34 lid 2 sub d van de Participatiewet. 5.. Bij een vermogen hoger dan de geldende vermogensgrens, zoals genoemd in artikel 34, lid 3 van de wet, is er geen recht op bijzondere bijstand.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel