Naar hoofdinhoud
1.. Het college kan op aanvraag aan één of beide bijstandsgerechtigden een overgangsperiode toestaan. 2.. De overgangsperiode vangt pas aan nadat het college schriftelijk toestemming heeft verleend. 3.. De duur van de overgangsperiode bedraagt drie maanden. Deze kan op verzoek van de bijstandsgerechtigde eenmalig worden verlengd met maximaal drie maanden. 4.. De overgangsperiode eindigt eerder indien de bijstandsgerechtigde niet meer voldoet aan de voorwaarden van artikel 4. 5.. Tijdens de overgangsperiode behoudt de bijstandsgerechtigde de uitkering naar de norm die gold vóór de overgangsperiode, tenzij de norm wijzigt door andere omstandigheden dan het samenwonen op proef. Na afloop van de overgangsperiode wordt de bijstand afgestemd op de dan geldende actuele situatie. 6.. Tijdens de overgangsperiode kan de bijstandsgerechtigde aanspraak blijven maken op bijzondere bijstand, de collectieve zorgverzekering voor minima en/of de individuele inkomenstoeslag, indien aan alle voorwaarden wordt voldaan. 7.. De inlichtingenplicht (artikel 17, eerste lid, Participatiewet) blijft onverkort gelden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel