Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2.3

Artikel 2.3.4

Weigeringsgronden

Onderdeel van Verordening Jeugdhulp en Wmo Krimpenerwaard 2026

Wmo | Jeugdwet | Awb 1.. De gemeente kan de hulp-op-maat weigeren als: de inwoner het probleem zelf kan oplossen; de inwoner het probleem kan oplossen met hulp van huisgenoten of anderen uit het sociale netwerk of mantelzorg; de inwoner het probleem kan oplossen met gebruikelijke hulp (Wmo), met algemene voorzieningen, met algemeen gebruikelijke voorzieningen, met collectieve voorzieningen, met hulp van andere organisaties, of met andere voorzieningen; uit wetenschappelijk onderzoek onvoldoende de toegevoegde waarde blijkt van de hulp in het wegnemen van beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie. De gemeente kan deze hulp wel toekennen wanneer deze in de persoonlijke situatie als meest passend worden gevonden. de gevraagde hulp afwijkt van het advies van de gemeente. 2.. De gemeente kan de hulp-op-maat ook weigeren als: de inwoner iets (niet) heeft gedaan waardoor hij de hulpvraag zelf heeft veroorzaakt en hij deze had kunnen voorzien; de Wmo-voorziening niet langer dan zes maanden noodzakelijk is, tenzij er zwaarwegende redenen zijn om de hulp-op-maat op korte termijn vast te stellen; als de inwoner niet meer kosten heeft in vergelijking met de situatie voorafgaand aan het optreden van de beperkingen.

Rechtspraak bij dit artikel