Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 11

Artikel 30

Uittreding

Onderdeel van Gewijzigde tekst Gemeenschappelijke regeling Duo+

1.. Een deelnemer kan uittreden door toezending van het daartoe strekkend besluit van haar college aan het bestuur, na verkregen toestemming van de raad van de deelnemer. Alvorens een deelnemer tot besluitvorming komt zoals hier bedoeld, wordt eerst over het voornemen overleg gepleegd met de andere deelnemers. In dit voornemen worden de motieven gegeven op grond waarvan de deelnemer wenst uit te treden. 2.. De algemene uitgangspunten en voorwaarden met het oog op de uittreding door een deelnemer worden geregeld in een uittredingsregeling. 3.. De uittredingsregeling als bedoeld in het tweede lid wordt door het bestuur bij unanimiteit vastgesteld. Alvorens het bestuur de uittredingsregeling vaststelt, zendt het bestuur het voorstel voor de uittredingsregeling toe aan de raden van de deelnemers. De raden van de deelnemers kunnen gedurende acht weken hun zienswijzen over het voorstel voor de uittredingsregeling bij het bestuur indienen. Het bestuur voegt de ingediende zienswijzen bij het voorstel voor de uittredingsregeling. 4.. Het bestuur besluit binnen zes maanden na ontvangst van het besluit zoals bedoeld in het eerste lid over de financiële verplichtingen alsmede de overige gevolgen van de uittreding door een deelnemer in een uittredingsplan. 5.. Het bestuur stelt de datum van uittreding vast. Deze datum ligt niet eerder dan na 12 maanden vanaf de datum waarop het besluit tot uittreding van het college van de deelnemer aan het bestuur bekend is gemaakt. Een besluit tot uittreding kan op zijn vroegst op 1 januari 2020 bij het bestuur kenbaar worden gemaakt. Voor uittreding is wijziging van deze regeling nodig conform artikel 29 van deze regeling.

Rechtspraak bij dit artikel