Op grond van artikel 2.3.6, lid 4 van de Wmo kan een inwoner die in aanmerking komt voor een pgb dit inzetten om ondersteuning in te kopen van een persoon die behoort tot zijn sociaal netwerk. Dit zijn personen uit de huiselijke kring en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt, zoals familieleden, buren, vrienden, kennissen, etc. Dit mag echter niet leiden tot vergoeding van ondersteuning die anders onbetaald geleverd zou worden.
Uitgangspunt is dat ondersteuning uit de eigen omgeving maximaal moet worden ingezet voordat een beroep kan worden gedaan op het college. Voor ondersteuning die in redelijkheid verwacht mag worden van het eigen netwerk (taken die een ander onbetaald zou verrichten bij familie) verstrekt het college geen maatwerkvoorziening.
Het college onderzoekt wat het sociale netwerk kan en wil doen en voor welk onderdeel een maatwerkvoorziening eventueel nodig is. Het college beoordeelt of sprake is van hulp die het sociale netwerk zonder betaling kan bieden en, of bij wijze van uitzondering, de inzet van het sociale netwerk met een pgb betaald kan worden.
Ook bij herindicatie van al toegekende voorzieningen bespreekt het college in principe eerst (opnieuw) wat mensen uit het netwerk kunnen en willen oppakken en hoe het zit met de belastbaarheid van het netwerk.
Een aanvraag voor een pgb dat besteed wordt aan een persoon uit het sociaal netwerk van de inwoner wordt door het college in ieder geval niet toegekend als:
de persoon uit het sociale netwerk op enige wijze druk heeft uitgeoefend op de inwoner in de keuze voor een persoonsgebonden budget;
de persoon uit het sociale netwerk (dreigend) overbelast is;
de persoon uit het sociale netwerk het op het moment het al uitvoert maar er nu een pgb voor wordt aangevraagd.
de persoon uit het sociale netwerk vanwege andere redenen niet in staat is om de gevraagde ondersteuning te bieden.
Bij de beoordeling van de toekenning weegt het college ook mee of de continuïteit van ondersteuning gewaarborgd is.
Hulp door familieleden tot en met de tweede graad wordt door het college in beginsel gezien als informele hulp.
De kwaliteitseisen die het college stelt aan een professionele pgb hulpverlener gelden ook voor een pgb hulpverlener uit het sociaal netwerk.
Kwaliteitseisen Wmo Individuele begeleiding en ondersteuning uit het sociaal netwerk
Het college stelt hoge kwaliteitseisen aan de maatwerkvoorzieningen Wmo individuele begeleiding, met name als deze ondersteuning met een pgb wordt ingekocht. Het college stelt zich op het standpunt dat bij een indicatie die leidt tot een product individuele begeleiding met: 1 ontwikkelen en/of: 2 verzwarende omstandigheden + en ++, alleen sprake kan zijn van een goede kwaliteit van de ondersteuning wanneer de hulpverlener naar het oordeel van het college:
beschikt over de benodigde specialistische kennis, vaardigheden en ervaring,
werkt aan de hand van effectief bewezen methoden én
volledig onafhankelijk en objectief kan handelen.
Dit vanwege de complexe aard en/of zwaarte van de problematiek waarvoor deze maatwerkvoorzieningen in natura worden toegekend.
Dit betekent, dat de maatwerkvoorziening individuele begeleiding, in het type ontwikkelen en/of met verzwarende omstandigheden + en ++ niet toegekend wordt in de vorm van een pgb vanuit het sociaal netwerk.
Het is in beginsel nodig dat de ondersteuning uit het sociaal netwerk van hetzelfde niveau is als professionele ondersteuning van een gecontracteerde zorgaanbieder of een professioneel werkend zzp'er. Wordt vanuit het sociaal netwerk niet voldaan aan deze kwaliteitseisen, dan weigert het college de voorziening in de vorm van een pgb en resteert toekenning van de maatwerkvoorziening in natura door één van de gecontracteerde aanbieders.
Hoofdstuk 4
Artikel 4.7
Kwaliteitseisen informele ondersteuning met pgb Jeugd en Wmo
Onderdeel van Beleidsregels Wmo Gemeente Vijfheerenlanden 2026