Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 16.

Specifieke regels vermogensvaststelling

Onderdeel van Beleidsregels Participatiewet, Ioaw, Ioaz en Bbz Ooststellingwerf 2026

1.. Overeenkomstig artikel 34 lid 2 onder a van de wet wordt bij aanvang van de algemene bijstand eenmalig een bedrag aan vermogen vrijgelaten (leefgeld). Het leefgeld bedraagt voor een gezin of alleenstaand ouder € 1.000,00 en voor een alleenstaande € 800,00. 2.. In afwijking van het eerste lid wordt bij thuiswonenden of personen in een inrichting geen rekening gehouden met leefgeld. 3.. Na hantering van de leefgeldvrijlating kan het vermogen niet negatief zijn. In dat geval wordt het vermogen op € 0,00 vastgesteld. 4.. Het vermogen wordt volledig opnieuw vastgesteld wanneer de belanghebbende vanuit een andere gemeente verhuist naar de gemeente Ooststellingwerf. 5.. Bij een wijziging in de gezinssituatie vindt een nieuwe vermogensbepaling plaats. Daarbij geldt de vermogensgrens die van toepassing is in de nieuwe situatie met inachtneming van de op dat moment aanwezige bezittingen en schulden. Tijdens de bijstandsperiode gespaarde gelden blijven bij de wijziging buiten beschouwing. 6.. De vermogensgrens bij co-ouderschap wordt bepaald aan de hand van bij wie het kind het feitelijk (hoofd)verblijf heeft of ingeschreven staat in het BRP. 7.. Een auto en/of motor/scooter/brommer met een (gezamenlijke) dagwaarde van maximaal € 5.000 enerzijds en een boot en/of caravan met een (gezamenlijke) dagwaarde van maximaal € 2.500 anderzijds worden als algemeen gebruikelijke bezittingen in de zin van artikel 34 lid 2 onder a van de wet aangemerkt. Wordt de gezamenlijke waarde overschreden dan wordt het meerdere van de gehele waarde van de gezamenlijke bezittingen als vermogen meegenomen. 8.. Een verzekering voor de kosten van begrafenis of crematie worden als algemeen gebruikelijke bezittingen in de zin van artikel 34 lid 2 onder a van de wet aangemerkt. Dit tenzij er sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorzieningen van het bestaan. 9.. Een afkoopbare levensverzekering wordt buiten beschouwing gelaten bij de vaststelling van het vermogen als: Zij korter dan 10 jaar geleden is afgesloten; en De inleg minder bedraagt dan de van toepassing zijnde vermogensgrens; en Er bij het afsluiten van de verzekering geen sprake was van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. 10.. Als er meerdere levensverzekeringen zijn zoals bedoeld in het negende lid dan geldt de bepaling in dit lid voor het totaal van de verzekeringen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel