Indien de eigen kracht van een inwoner niet voldoende is (bijvoorbeeld als gevolg van een beperking) of als de problematiek van dien aard is dat een inwoner dat niet alleen kan oplossen zal in eerste instantie een beroep gedaan moeten worden op het sociaal netwerk van de inwoner. Het sociale netwerk kan bestaan uitfamilieleden, bekenden, buren et cetera. Hierbij wordt er onderscheid gemaakt tussen gebruikelijke hulp en boven-gebruikelijke hulp. Er bestaat geen aanspraak op ondersteuning als redelijkerwijs van cliënt zelf of van zijn sociale netwerk kan worden verwacht dat zij structureel bij kunnen dragen aan het bereiken van het resultaat.
Voor zover de (dreigende) overbelasting wordt veroorzaakt door maatschappelijke activiteiten buiten de gebruikelijke hulp, wel of niet in combinatie met een fulltime school- of werkweek, gaat het verlenen van gebruikelijke hulp voor op die maatschappelijke activiteiten. Wel dient onderzocht te worden in hoeverre de maatschappelijke activiteiten nodig zijn voor het welbevinden van de zorgverlener en (dreigende) overbelasting wordt voorkomen.
Uitzondering hierop is de gebruikelijke hulp geleverd door inwonende kinderen. Bij gebruikelijke hulp van een inwonend kind is altijd een zorgvuldige afweging vereist, waarbij rekening wordt gehouden met wat op een bepaalde leeftijd als bijdrage van een kind mag worden verwacht, de ontwikkelingsfase van het specifieke kind en het feitelijke vermogen en de veerkracht van het kind. De inzet van kinderen mag niet ten koste gaan van hun welbevinden en ontwikkeling, waaronder het omgaan met leeftijdgenoten, het doen aan vrijetijdsbestedingen de schoolprestaties.
Gebruikelijke hulp op het gebied van huishoudelijke ondersteuning
Van gebruikelijke hulp op het gebied van huishoudelijke ondersteuning is sprake indien er een huisgenootaanwezig is die onderdeel uitmaakt van de leefeenheid van de cliënt en die in staat kan worden geacht (een deel van) het huishoudelijk werk over te nemen. Gebruikelijke hulp heeft een verplichtend karakter. Dit houdt in dat er zowel van volwassen als jonge huisgenoten een bijdrage wordt verlangd in het huishouden. Hierbij dient echter wel rekening te worden gehouden met de ontwikkelingsfase van kinderen. Voor gezonde jonge huisgenoten geldt:
huisgenoten tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan het huishouden;
huisgenoten van 5 tot en met 12 jaar worden naar eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden (bv. opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, een boodschap doen en kleding in de wasmand gooien);
huisgenoten van 13 tot en met 17 jaar kunnen helpen bij lichte huishoudelijke werkzaamheden (bv. opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, een boodschap doen, kleding in de wasmandgooien) en hun eigen kamer op orde houden (rommel opruimen, stofzuigen en bed verschonen);
huisgenoten van 18 tot en met 22 jaar kunnen een eenpersoonshuishouden voeren. Dit wil zeggen; schoonhouden van sanitaire ruimte, keuken en één kamer, de was doen, boodschappen doen, maaltijd verzorgen, afwassen en opruimen. Indien nodig kan ook de opvang en/of verzorging van jongeregezinsleden tot hun taken behoren.
Bij een aantal leefsituaties kan er mogelijk geen of beperkt sprake zijn van gebruikelijke hulp:
kamer huren bij cliënt: als een cliënt een kamer verhuurt aan een derde wordt de huurder niet tot de leefeenheid gerekend. Het gaat hierbij om personen die in generlei familiebetrekking staan tot elkaar ener moet daadwerkelijk een huur- of kostgangerovereenkomst liggen. Bij een huurder of kostganger wordt, ondanks dat ze niet tot de leefeenheid behoren, wel gekeken naar het gebruik van de
gemeenschappelijke of gezamenlijk te gebruiken ruimtes (bv. toilet, badkamer, keuken). De huurder is zelfverantwoordelijk voor het schoonhouden van de door hem gehuurde kamer. De huurder wordt in staat geacht de gehuurde ruimte(n) schoon te houden en een evenredige bijdrage te leveren aan gezamenlijke ruimten.
geclusterd wonen: een cliënt woont zelfstandig, met meerdere mensen in één huis zonder hiermee een leefeenheid te vormen. Met andere woorden; de cliënt vormt geen duurzaam huishouden met de huisgenoten. In dergelijke situaties heeft men in ieder geval wel een eigen woon/slaapkamer en de overige ruimten worden in meer of mindere mate gemeenschappelijk gebruikt. Het schoonhouden van de gemeenschappelijke ruimten dient te worden herverdeeld over de overige huisgenoten;
leef- en woongemeenschappen: een cliënt woont zelfstandig met meerdere mensen in één gebouw én vormt hiermee wel een leefeenheid. Met andere woorden; cliënt vormt een duurzaam huishouden met de huisgenoten. Vrijwel alle leefgemeenschappen kennen een of meer gezamenlijke bindende factoren, meestal met een religieuze of spirituele inhoud. Een voorbeeld hier van zijn kloostergemeenschappen waarbij er sprake is van een leefeenheid, maar de taakverdeling zich niet leent voor overname. In die situaties kan een cliënt hulp krijgen voor het schoonmaken van de eigen kamer. Het schoonhouden van de gemeenschappelijke ruimten dient te worden herverdeeld over de overige huisgenoten.
Het principe van “gebruikelijke hulp‟ heeft een verplichtend karakter en hierbij wordt géén onderscheidgemaakt op basis van sekse, religie, cultuur, gezinssamenstelling, de wijze van inkomensverwerving, drukke werkzaamheden/lange werkweken of persoonlijke opvattingen over het verrichten van huishoudelijke taken. In die situaties kan een tijdelijke indicatie afgegeven worden voor het aanleren hiervan. De taak wordt dan niet overgenomen maar via instructie/advies tijdelijk gestuurd.
Gebruikelijke hulp op het gebied van begeleiding
Bij gebruikelijke hulp op het gebied van begeleiding wordt onderscheid gemaakt tussen kortdurende en langdurende situaties.
Kortdurende situaties: hiervan is sprake als er begeleiding plaats vindt van de cliënt door de inwonende partner, ouder, volwassen kind en/of elke andere volwassen huisgenoot waarbij er uitzicht is op een dusdanig herstel van het gezondheidsprobleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de cliënt, dat de cliënt daarna niet langer is aangewezen op een maatwerkvoorziening. Hierbij gaat het over het algemeen over een periode van maximaal drie maanden.
Langdurige situaties: hiervan is sprake als er begeleiding plaats vindt van een volwassen cliënt door inwonende partner, ouder, inwonend kind en/of andere huisgenoot waarbij het gaat om een chronische situatie. Het gaat hierbij in ieder geval om de volgende vormen van begeleiding aan een cliënt:
het geven van begeleiding aan een cliënt op het terrein van de maatschappelijke participatie;
huisgenoten begeleiden van cliënt bij het normaal maatschappelijk verkeer binnen de persoonlijke levenssfeer, zoals het bezoeken van familie/vrienden, huisarts, enzovoort;
huisgenoten bieden van hulp bij of het overnemen van taken die bij een gezamenlijk huishouden horen, zoals het doen van de administratie. Dit kan worden overgenomen door een niet-beperkte huisgenoot wanneer die taak altijd door de, nu beperkte, cliënt werd uitgevoerd.
Gebruikelijke hulp voor kinderen
Ouders/verzorgers hebben een zorgplicht voor hun kinderen. De ouders/verzorgers zorgen voor de opvoeding van hun kinderen. Dit houdt in: het zorgen voor hun geestelijk en lichamelijk welzijn en het bevorderen van de ontwikkeling van hun persoonlijkheid (en naar draagkracht voorzien in de kosten van dit alles). Deze zorgplicht strekt zich uit over ondersteuning, verzorging en opvoeding die een ouder (of verzorger), onder meer afhankelijk van de leeftijd en verstandelijke ontwikkeling van het kind, normaal gesproken geeft aan een kind, inclusief de zorg bij kortdurende ziekte. Gebruikelijke hulp voor kinderen omvat in ieder geval de aanwezigheid van een verantwoordelijke ouder of derde persoon conform de leeftijd en ontwikkeling van het kind. Oppas en ondersteuning van gezonde kinderen vallen in principe niet onder de Wmo.
Bij uitval van één van de ouders/verzorgers neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp voor de kinderen over. Indien er sprake is van uitval van de ouder in een eenoudergezin, of beide ouders/verzorgers ondervinden beperkingen in de ondersteuning en verzorging van de kinderen, wordt er eerst nagegaan wat er door mantelzorgers opgevangen kan worden, en wat vrijwilligers, voorliggende voorzieningen en algemeen gebruikelijke voorzieningen kunnenopvangen. Kinderopvang/crèche en buitenschoolse opvang worden als voorliggende voorziening gezien indien het gaat om oppas en ondersteuning van gezonde kinderen. Hierbij wordt opvang tot 5 dagen per week redelijk geacht voor kinderen vanaf 3 maanden. In samenspraak met de jeugdprofessionals wordt afgestemd welke (kortdurende) ondersteuning vanuit welke regelgeving ingezet moet worden.
Uitzonderingen gebruikelijke hulp
Bij gebruikelijke hulp wordt uitgegaan van de mogelijkheid om naast een volledige baan of studie een huishouden te kunnen runnen. Immers, iedereen die werkt zal naast zijn werk het huishouden moeten doen of hier eigen oplossingen voor moeten zoeken (zoals het inhuren van particuliere hulp). Uitzonderingen hierop zijn:
Langdurige, fysieke afwezigheid in verband met werk: er wordt geen rekening gehouden met drukke werkzaamheden, lange werkweken of veel reistijd. Over het algemeen kan alleen rekening worden gehouden met personen die vanwege hun werkzaamheden langdurig van huis zijn (bijvoorbeeld internationaal vrachtwagenchauffeur, medewerker in de offshore of marinier). Het gaat namelijk te ver deze mensen te dwingen een andere baan of functie te zoeken. De afwezigheid dient echter wel te voldoen aan de volgende kenmerken:
het is inherent aan het werk;
heeft een verplichtend karakter.
Medisch geobjectiveerde aandoening/beperking: als uit objectief onderzoek blijkt dat een huisgenoot (eventueel tijdelijk) aantoonbare beperkingen heeft op grond van een aandoening, beperking, stoornis of probleem, waardoor redelijkerwijs de taken niet overgenomen kunnen worden, is gebruikelijke hulp niet van toepassing.
(Dreigende) overbelasting: kan worden veroorzaakt door een combinatie van symptomen van lichamelijke en/of psychische aard en wordt bepaald door in- en uitwendige factoren. Met andere woorden; in exact dezelfde situatie zal de ene huisgenoot wel overbelast kunnen raken, terwijl een andere huisgenoot hier geen of minder last van heeft. Het is daarom van belang zorgvuldig onderzoek te plegen naar de verhouding tussen draagkracht (belastbaarheid) en draaglast (belasting) en symptomen die kunnen wijzen op overbelasting. In veel gevallen wordt een medisch adviseur daarbij ingeschakeld ter beoordeling. In principe zal overname van huishoudelijke taken voor een korte duur zijn, te denken valt aan 3-6 maanden. In deze periode wordt de leefeenheid de gelegenheid gegeven de onderlinge taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen.
(Dreigende) overbelasting door het verlenen van zorg:
(Dreigende) overbelasting na overlijden partner in gezinssituatie:
(Dreigende) overbelasting bij korte levensverwachting cliënt.
Mantelzorg
Mantelzorg is zorg die wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving/sociaal netwerk waarbij:
de zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en;
de zorg niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt verleend.
Bij mantelzorg wordt de normale (gebruikelijke) hulp in zwaarte, duur en of intensiteit aanmerkelijk overschreden (boven-gebruikelijke hulp). Mantelzorg heeft geen verplichtend karakter; als de mantelzorger aangeeft de boven-gebruikelijke hulp niet (meer) vrijwillig te willen leveren of de cliënt wil niet ondersteund worden door een mantelzorger, dan kan dit niet worden verplicht.
Om een mantelzorger te ondersteunen kan een beroep worden gedaan op de Wmo. Dit betekent dat bij dreigende overbelasting van de mantelzorger, ondersteuning kan worden geboden. Het goed ondersteunen van mantelzorgers voorkomt vaak dat zwaardere ondersteuning nodig is, omdat mantelzorgers dan langer en beter in staat blijven de mantelzorg vol te houden en zwaardere ondersteuning uitgesteld kan worden. De gemeente waar de cliënt woont aan wie de mantelzorger hulp biedt, is verantwoordelijk voor de ondersteuning van de mantelzorger.
Om mantelzorgers goed te kunnen ondersteunen, zodat zij hun belangrijke taak kunnen volhouden, is het van belang dat er tijdens het onderzoek integraal gekeken wordt naar de situatie van de cliënt, de mantelzorger en (de rest van) het sociale netwerk. Tijdens het onderzoek wordt ook het verlenen van mantelzorg in beeld gebracht om te beoordelen of ondersteuning nodig is. Als mantelzorgers tijdelijk of permanent niet meer in staat zijn om mantelzorg te bieden, kan er indien nodig een maatwerkvoorziening voor de cliënt worden ingezet, zoals bijvoorbeeld huishoudelijke ondersteuning, (extra)dagbesteding of kortdurend verblijf (respijtzorg).
Om de ondersteuning van de mantelzorger effectief en op maat te kunnen bieden, is het belangrijk de draagkracht en de mogelijkheden van de mantelzorger zorgvuldig te beoordelen. De volgende richtlijnen kunnen helpen bij het maken van een zorgvuldige beoordeling:
Beoordeling van de fysieke en mentale belasting:
Er wordt gelet op tekenen van stress, vermoeidheid, oververmoeidheid of andere gezondheidsklachten bij de mantelzorger die het gevolg kunnen zijn van langdurige zorg. Zo kan worden gekeken naar een mogelijke overbelasting van de mantelzorger en in welke mate dit de gezondheid en het welzijn van de mantelzorger beïnvloedt.
Beoordeling van de mate van zelfredzaamheid van de mantelzorger:
Er wordt gekeken naar het vermogen van de mantelzorger om balans te vinden tussen de zorgtaak en het eigen leven. Hierbij wordt vooral gekeken in hoeverre de mantelzorger zijn of haar dagelijkse activiteiten kan blijven uitvoeren naast de zorgtaak, dit gaat dan bijvoorbeeld over werk, sociale contacten of eigen zorgbehoeften.
Beoordeling van de sociale steun en netwerk van de mantelzorger:
Er wordt meegenomen in hoeverre de mantelzorger zelf een kwalitatief sociaal netwerk heeft. Dit is belangrijk in overweging te nemen omdat een mantelzorger die zelf voldoende steun ontvangt beter om kan gaan met de zorgtaak. Dit maakt de kans op overbelasting kleiner.
Beoordeling van de ervaring en vaardigheden van de mantelzorger:
Er wordt geëvalueerd in hoeverre de cliënt zorg behoeft die bijzondere vaardigheden of kennis vereisen. Ervaring hiermee kan de draagkracht versterken, terwijl gebrek aan ervaring kan leiden tot gevoelens van onzekerheid en overbelasting.
Evaluatie van de zorgbehoefte van de cliënt:
De zorgbehoefte van de cliënt zelf moet ook in de beoordeling meegenomen worden. Het is belangrijk te kijken naar de aard en intensiteit van de zorg die de cliënt nodig heeft, en of de mantelzorger in staat is deze zorg op de lange termijn vol te houden.
Beoordeling van de duurzaamheid van de zorg:
Het is van belang de zorgsituatie van de mantelzorger ook op de lange termijn te beoordelen. Hierbij wordt gekeken naar de vooruitzichten voor de mantelzorger, is er bijvoorbeeld in het vooruitzicht extra ondersteuning die overbelasting helpt voorkomen.
Ingeval een mantelzorger hulp verleent aan een persoon die op grond van de Wet langdurige Zorg (Wlz) zorg ontvangt, is het uitgangspunt dat de ondersteuning van deze mantelzorger op basis van de Wlz plaatsvindt, zodat in het aldaar af te spreken arrangement ook de mantelzorger betrokken wordt en aandacht krijgt. Uiteraard kan de mantelzorger als ingezetene van een gemeente gebruik maken van daar bestaande algemene voorzieningen.
3.
Artikel 9.
Sociaal netwerk
Onderdeel van Beleidsregels Wet maatschappelijke ondersteuning Steenbergen