Het omgevingsplan bevat voor het gehele grondgebied van de gemeente in ieder geval de regels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (art. 4.2 Omgevingswet). Onze huidige bestemmingsplannen en/of beheersverordeningen zijn via overgangsrecht onderdeel van het ‘tijdelijk omgevingsplan’. Dit staat in artikel 4.6 van de Invoeringswet Ow. Zo zijn de huidige planologische toetsingskaders voor het plaatsen van vergunningplichtige antenne-installaties, ook geldig onder de Ow.
Een zendmast is in planologische zin geen zelfstandige functie. Binnen functies als wonen, werken, verkeer en recreatie zijn antennes nodig voor mobiel bereik. Een vrijstaande mast vraagt relatief weinig bouwoppervlak, zodat het apart intekenen in een omgevingsplan niet noodzakelijk is. Een antenne-installatie heeft hoogte én rondom vrij zicht nodig. Dat is noodzakelijk voor een goede verbinding met mobiele apparaten die zich op straatniveau bevinden. Een hoogte tot 40 meter biedt doorgaans voldoende ruimte om van drie aanbieders de afzonderlijke antenne-installaties onder elkaar te plaatsen.
Via artikel 2.29 onder m van het Besluit bouwwerken leefomgeving en de artikelen 22.26 en 22.27 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet (bruidsschat) geldt het plaatsen van een antenne-installatie hoger dan 5 meter als een vergunningplichtige binnenplanse omgevingsplanactiviteit tijdens de overgangsfase naar een definitief omgevingsplan.
Vergunning op grond van het omgevingsplan
In het (tijdelijke) omgevingsplan wordt bepaald welke (bouw)activiteiten vergunningplichtig zijn: de zogenaamde (binnenplanse-) omgevingsplanactiviteiten (artikel 5.1 lid 1 sub a Ow). Een aanvraag voor een vergunning wordt dan getoetst aan de regels van het (tijdelijke) omgevingsplan en aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hiervoor is het college het bevoegd gezag. De aanvraag voor een vergunning vindt plaats via het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Indien de omgevingsactiviteit voldoet aan de regels van het omgevingsplan is de reguliere vergunningprocedure (8 weken) van toepassing.
Vergunning wegens strijd met het omgevingsplan
Indien een activiteit niet past binnen het (tijdelijke) omgevingsplan, dan is een vergunning wegens het in strijd zijn met het (tijdelijke) omgevingsplan noodzakelijk: de zogenaamde ‘buitenplanse omgevingsplanactiviteit’.
Een aanvraag voor een vergunning wordt dan getoetst aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, lid 2 Bkl). Verder gelden de beoordelingsregels uit artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl. De aanvraag voor een vergunning vindt plaats via het DSO.
De reguliere procedure (in beginsel een beslistermijn van acht weken plus eventueel zes weken verlenging) is het uitgangspunt voor de vergunningverlening.
Op grond van artikel 16.65 lid 4 Omgevingswet kan het college van burgemeester en wethouders echter in de volgende gevallen (alsnog) de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van toepassing verklaren (afdeling 3.4 Awb) op de voorbereiding van de beslissing op een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit:
als het gaat om een activiteit die aanzienlijke gevolgen heeft of kan hebben voor de fysieke leefomgeving; en
waartegen naar verwachting verschillende belanghebbenden bedenkingen zullen hebben.
Dit is een discretionaire bevoegdheid van het college. Het college heeft dan ook bij elke aanvraag beoordelingsruimte om te beslissen of aan bovenstaande criteria is voldaan en kan de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (alsnog) van toepassing verklaren op de aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.