Lid 1
In deze bepaling wordt voor alle duidelijkheid artikel 41, eerste lid, WIJ herhaald. De WIJ legt het accent op een werkleerrecht en daarmee op acceptatie van en goed uitvoering geven aan een in dit kader aangereikt werkleeraanbod. Pas wanneer een dergelijk aanbod, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de jongere, geen optie is of wanneer het aanbod onvoldoende inkomsten genereert, kan er een inkomensvoorziening worden verstrekt.
Zowel aan het aanbod alsook aan de inkomensvoorziening zijn strikte verplichtingen verbonden. Door de koppeling tussen werkleeraanbod en inkomensvoorziening gelden deze vanaf datum aanvraag werkleeraanbod. Dit wijkt derhalve af van de WWB, omdat het recht op WWB kan ingaan vanaf de meldingsdatum. Gelet op dit verschil is het van belang jongeren in staat worden gesteld de aanvraag om een werkleeraanbod zo spoedig mogelijk in te dienen.
Lid 2
In deze afstemmingsverordening zijn voor de diverse gedragingen standaard-maatregelen
vastgesteld. Desondanks blijft het mogelijk de op te leggen maatregel aan te passen aan de ernst van het feit en de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de jongere.
Beoordeeld dient te worden of men als gevolg van de ernst van het feit en de gedraging, bijvoorbeeld afhankelijk van de zwaarte van de gedraging, omvang van de gevolgen of zoveelste recidive wil afwijken van de standaardmaatregel. De mate van verwijtbaarheid dient altijd in de beoordeling meegenomen te worden. Hierbij dient de vraag gesteld te worden in hoeverre de jongere op de hoogte was/kon zijn van zijn verplichtingen, alsmede de psychische gesteldheid van de jongere. Bij het ontbreken van iedere verwijtbaarheid wordt er geen maatregel opgelegd.
Bij de omstandigheden van de jongere dient overwogen te worden of de individuele omstandigheden van de jongere aanleiding zijn om af te wijken van de standaardmaatregel.
Als gevolg van de ernst van het feit en de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden kan een maatregel, in afwijking van de standaardmaatregel hoger worden vastgesteld (tot maximaal 100%) of juist lager. In het laatste geval is het in uitzonderlijke situaties zelfs mogelijk de verlaging toe te passen tot 0%. Dit moet overigens niet worden verward met het afzien van een maatregel om dringende redenen (zie hierna).
Een maatregel kan op basis van dit tweede lid niet alleen hoger of lager worden vastgesteld maar kan in voorkomende gevallen ook over een langere periode worden gespreid. De standaard maatregel is dan bijvoorbeeld één maand 100%, maar wordt vervolgens verdeeld over twee maanden 50%.
Lid 3
Bij het afzien van een maatregel wegens dringende redenen zijn de onder lid 2 genoemde criteria reeds beoordeeld en is men van mening dat er gelet op de verwijtbare gedraging een maatregel dient plaats te vinden. Echter wegens de dringende redenen wordt deze maatregel niet opgelegd. Wat dringende redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op voorhand worden vastgelegd. De jongere ontvangt een beschikking dat er is afgezien van het opleggen van een maatregel wegens dringende redenen. Een volgende verwijtbare gedraging zal als recidive worden beschouwd.
Hoofdstuk 1.
Artikel 2.
Het opleggen van een maatregel
Onderdeel van Afstemmingsverordening WIJ gemeente Roerdalen