**1..** De subsidieontvanger vormt een buffervermogen als bedoeld in artikel 1.
**2..** Voor zover de subsidie op grond van deze regeling of eerdere regelingen van het college heeft bijgedragen aan het buffervermogen, mag deze uitsluitend worden aangewend voor activiteiten waarvoor subsidie is verleend.
**3..** In de gevallen genoemd in artikel 4:41, tweede lid, onder c, d en e, van de Awb, is de subsidieontvanger ten aanzien van het buffervermogen vergoedingsplichtig, naar evenredigheid van de mate waarin de subsidie aan het buffervermogen heeft bijgedragen.
**4..** Bij de subsidieverlening kunnen nadere verplichtingen worden gesteld met betrekking tot het buffervermogen. Daarbij gelden in ieder geval de volgende uitgangspunten:
het buffervermogen bedraagt minimaal 10% en maximaal 15% van de gemiddelde totale jaaromzet berekend over de drie meest recente boekjaren;
dat exploitatieoverschotten toegevoegd mogen worden aan het buffervermogen indien het buffervermogen onder de 10% en maximaal 15% is van de gemiddelde totale jaaromzet berekend over de drie meest recente boekjaren;
zolang het buffervermogen lager is dan 10%, geldt een opslag van 2% op de kostprijs die volgt uit artikel 8. Deze opslag gebruikt de GI om het buffervermogen aan te vullen tot het maximum percentage.
het college stelt aan de hand van de laatste drie jaarrekeningen vast of het buffervermogen voldoet aan de norm.
Overschrijding in enig jaar van de afgesproken maximale omvang van het buffervermogen, leidt tot een lagere subsidievaststelling van de verleende subsidie. Het meerdere wordt teruggevorderd bij de vaststelling.
Artikel 18.
Buffervermogen
Onderdeel van Subsidieregeling Jeugdbescherming en jeugdreclassering regio Midden-Limburg 2026