Naar hoofdinhoud

Artikel 4

Onderzoek

Onderdeel van Verordening jeugdhulp Midden-Delfland 2026

Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren 1.. Het college informeert de jeugdige en/of zijn ouders over de gang van zaken bij het onderzoek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure. 2.. Het sociaal team onderzoekt de hulpvraag, in een of meer gesprekken tussen deskundige medewerkers en de jeugdige en/of de ouders, volgens de volgende stappen: Inventariseren van de hulpvraag. Bij het vaststellen van de hulpvraag gebruikt het college het levensloopmodel van het NJI van bijlage 1 van deze verordening; Zorgvuldig onderbouwen van de onderliggende problematiek; Vaststellen welke hulp in aard en omvang noodzakelijk is; Onderzoeken van eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen zoals opgenomen in artikel 4.2 van deze verordening; Onderzoeken of aanspraak bestaat op een andere voorziening; Onderzoeken of een algemene voorziening passend is; Indien van toepassing, hoe de toekenning van een individuele voorziening zo goed mogelijk kan worden afgestemd op andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen. 3.. Het college wijst bij de start van het onderzoek op de mogelijkheid om gebruik te maken van: een vertrouwenspersoon als bedoeld in artikel 2.5 van de wet; gratis cliëntondersteuning als bedoeld in artikel 2.2.4 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Op verzoek van de jeugdige of zijn ouder(s) wordt ondersteuning geboden bij het vinden van passende cliëntondersteuning. 4.. Aan het einde van het onderzoek wordt met de jeugdige en/of zijn ouders de meest passende vorm van financiering (ZiN of pgb) besproken. De jeugdige en/of zijn ouders wordt in begrijpelijke bewoordingen ingelicht over de gevolgen van die keuze. 5.. De jeugdige en/of zijn ouders verschaffen het sociaal team de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen. 6.. Het college kan een deskundige instantie om een oordeel en advies vragen als het college dit van belang acht voor het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag. 7.. Als de jeugdige en/of zijn ouders bekend zijn bij de gemeente, kan het college in overeenstemming met hen afzien van een onderzoek als bedoeld in het eerste lid. 8.. Het in het zesde lid bedoelde advies wordt uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd of het BIG-register. 9.. Het college treft voorzieningen waarmee is gewaarborgd dat het onderzoek en de voorbereiding van de besluitvorming op zorgvuldige wijze plaatsvindt, in het bijzonder door te voorkomen dat (medewerkers van) de organisatie die de jeugdhulp uitvoert, ook het advies geeft over het al dan niet toekennen van jeugdhulp en het daarop betrekking hebbende besluit neemt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel